ECLI:NL:RBDOR:2012:BW3372
Rechtbank Dordrecht
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering tot betaling kredietsaldo na overlijden op grond van overlijdensrisicodekking
Op 6 februari 1997 sloten [gedaagde] en zijn echtgenote een kredietovereenkomst met PrimeLine, waarbij aanvullend een Certificaat PrimeLine Protectieplan (PPP) werd ondertekend. Dit plan voorzag in een overlijdensrisicodekking waarbij PrimeLine bij overlijden van de cliënt afstand doet van het netto-saldo dat op dat moment verschuldigd is.
Op 9 januari 2010 overleed de echtgenote van [gedaagde]. LaSer, de rechtsopvolger van PrimeLine, vorderde betaling van het openstaande saldo van € 25.046,96 van [gedaagde], met vertragingsrente en proceskosten. [gedaagde] stelde dat op grond van artikel 9 van Pro de PPP-voorwaarden de schuld na het overlijden kwijtgescholden diende te worden.
De rechtbank oordeelde dat [gedaagde] erop mocht vertrouwen dat LaSer haar verplichtingen uit het PPP zou nakomen en dat de schuld na het overlijden van zijn echtgenote was kwijtgescholden. Omdat LaSer geen premie had bijgeschreven en [gedaagde] geen facturen of overzichten had ontvangen, kon hij niet weten dat er een betalingsachterstand was. De vordering van LaSer werd afgewezen en zij werd veroordeeld in de proceskosten van € 50.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering van LaSer af en veroordeelt LaSer in de proceskosten.