ECLI:NL:RBDOR:2012:BX1709

Rechtbank Dordrecht

Datum uitspraak
29 juni 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 10/172
Instantie
Rechtbank Dordrecht
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:1 AwbArt. 1:3 AwbArt. 6 EVRMArt. 8:1 AwbArt. 8:13 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling onafhankelijkheid en bevoegdheid Hof van Discipline in bestuursrechtelijke verzetprocedure

In deze bestuursrechtelijke procedure heeft opposant verzet aangetekend tegen een uitspraak van de rechtbank Dordrecht waarin deze zich onbevoegd verklaarde om kennis te nemen van het beroep tegen een beslissing van het Hof van Discipline. De rechtbank had de zaak vereenvoudigd afgedaan op grond van het ontbreken van haar bevoegdheid, omdat het Hof van Discipline wordt beschouwd als een onafhankelijk, bij wet ingesteld orgaan dat met rechtspraak is belast, zoals bedoeld in artikel 1:1, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Opposant betoogde dat het Hof van Discipline geen onafhankelijk en onpartijdig gerecht is zoals bedoeld in artikel 6 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), mede omdat het Hof voornamelijk bestaat uit door de Orde van Advocaten benoemde advocaten, en dat de rechtbank daarom wel bevoegd zou zijn om het beroep te behandelen. De rechtbank verwierp deze stelling en verwees naar vaste jurisprudentie waarin de criteria voor onafhankelijkheid en onpartijdigheid van het Hof gelijk worden gesteld aan die van een bij wet ingesteld onafhankelijk gerecht.

De rechtbank oordeelde dat het enkele feit dat zich in een concreet geval een belangenconflict kan voordoen tussen een lid van het Hof en een advocaat die in beroep komt, geen aantasting vormt van de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van het Hof als zodanig. Ook de verwijzing naar artikel 44 van Pro het Besluit gedragstoezicht deed hieraan niet af. Het verzet werd daarom ongegrond verklaard en de vereenvoudigde afdoening door de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het verzet ongegrond en bevestigt haar onbevoegdheid om kennis te nemen van het beroep tegen het Hof van Discipline.

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT
Sector Bestuursrecht
procedurenummer: AWB 10/172
uitspraak als bedoeld in artikel 8:55 van Pro de Algemene wet bestuursrecht
in het geding tussen
[naam], wonende te [woonplaats], eiser,
en
het Hof van Discipline, verweerder.
1. Ontstaan en loop van het geding
Bij beslissing van 15 augustus 2008 heeft de Raad van Discipline in het ressort
's-Gravenhage een klacht van mr. [naam X], hoofdofficier van Justitie te Rotterdam, tegen eiser gegrond verklaard en aan eiser de maatregel van schorsing in de uitoefening van de praktijk voor de duur van één maand opgelegd.
Bij beslissing van 31 augustus 2009 heeft verweerder de door de Raad van Discipline aan eiser opgelegde maatregel vernietigd en eiser voorwaardelijk geschorst in de uitoefening van zijn praktijk voor de duur van één maand, met een proeftijd van twee jaar. Voor het overige heeft verweerder de beslissing van de Raad van Discipline bekrachtigd.
Tegen deze beslissing van verweerder heeft eiser bij brief 18 september 2009 beroep ingesteld bij de sector bestuursrecht van de rechtbank te 's-Hertogenbosch.
De rechtbank 's-Hertogenbosch heeft het beroepschrift bij brief van 25 januari 2010 ter verdere behandeling doorgezonden aan de rechtbank Rotterdam.
Bij brief van 8 februari 2010 heeft de rechtbank Rotterdam het beroep in verband met het bepaalde in artikel 8:13, eerste lid, tweede volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) doorgezonden aan de rechtbank Dordrecht (hierna: rechtbank).
Bij uitspraak van 17 september 2010 heeft de rechtbank met toepassing van artikel 8:54, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht zich onbevoegd verklaard om kennis te nemen van het beroep van opposant.
Opposant heeft tegen deze uitspraak bij faxbericht van 10 oktober 2010 verzet gedaan bij de rechtbank.
Opposant heeft niet te kennen gegeven op het verzet te willen worden gehoord. De rechtbank ziet reden om direct uitspraak te doen.
2. Overwegingen
2.1. De rechtbank stelt voorop dat in de verzetprocedure alleen de vraag voorligt of zij de uitspraak, waarvan verzet, mocht doen zonder de zaak eerst ter zitting te behandelen (hierna: vereenvoudigd afdoen). Op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb is de rechtbank daartoe bevoegd indien voortzetting van het onderzoek niet nodig is, omdat zij kennelijk onbevoegd is.
2.2. Volgens de uitspraak waarvan verzet heeft de rechtbank zich bevoegd geacht de zaak vereenvoudigd af te doen omdat verweerder volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een onafhankelijk, bij wet ingesteld orgaan is dat met rechtspraak is belast als bedoeld in artikel 1:1, tweede lid, aanhef en onder c, van de Awb. Verweerder is derhalve geen bestuursorgaan en zijn beslissing van 31 augustus 2009 is geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, zodat tegen die beslissing, gelet op het bepaalde in artikel 8:1 van Pro de Awb geen beroep kan worden ingesteld bij de bestuursrechter.
2.3. Naar de (kennelijke) opvatting van opposant heeft de rechtbank de zaak ten onrechte vereenvoudigd afgedaan. Volgens opposant is verweerder geen onafhankelijk, onpartijdig en bij wet ingesteld gerecht zoals bedoeld in artikel 6 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). De Orde van Advocaten (hierna: de Orde) is een bestuursorgaan en het tuchtrecht is niet meer dan een voor het bestuursorgaan wettelijk voorgeschreven mogelijkheid tot beroep en zwaar. Gelet op de omstandigheid dat de Raad van Discipline (hierna: de Raad) en het Hof van Discipline (hierna: het Hof) voornamelijk zijn samengesteld uit door de Orde benoemde advocaten, kan geen sprake zijn van een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dan wel onafhankelijke en onpartijdige rechters. Opposant meent dan ook dat de rechtbank bevoegd is kennis te nemen van zijn beroep.
2.4. De rechtbank overweegt als volgt.
Hetgeen opposant in verzet heeft aangevoerd ter onderbouwing van zijn standpunt dat het Hof geen onafhankelijk, bij wet ingesteld orgaan is dat met rechtspraak is belast als bedoeld in artikel 1:1, tweede lid, aanhef en onder c, van de Awb kan niet afdoen aan de uitspraak waarvan verzet en de daarin bedoelde vaste jurisprudentie. De criteria voor de vraag of er sprake is van een dergelijk bij wet ingesteld onafhankelijk met rechtspraak belast orgaan zijn geen andere dan de criteria voor de vraag of er sprake is van een bij wet ingesteld onafhankelijk en onpartijdig gerecht als bedoeld in artikel 6 van Pro het EVRM. De verwijzing van opposant naar artikel 44 van Pro het Besluit gedragstoezicht kan daaraan niet afdoen, reeds omdat deze bepaling juist ziet op geschilleninstanties die niet bij wet zijn ingesteld. Opposant heeft geen argumenten aangevoerd op grond waarvan volgens de Advocatenwet onvoldoende waarborgen zouden gelden voor de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van leden van het Hof. Daarbij is evident dat het enkele feit dat zich in beginsel een "conflict of interests" kan voordoen in een concreet geval tussen een lid van een gerecht en een rechtzoekende, in dit geval tussen een advocaat-lid van het Hof en een advocaat die bij het Hof in beroep komt tegen een uitspraak van de Raad, geen argument is dat de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van een gerecht als zodanig kan aantasten.
Gelet daarop heeft de rechtbank zich in de uitspraak, waarvan verzet, terecht bevoegd geacht de zaak vereenvoudigd af te doen. Het verzet is derhalve ongegrond.
Gelet op het voorgaande beslist de rechtbank als volgt.
3. Beslissing
De rechtbank Dordrecht,
- verklaart het verzet ongegrond.
Aldus gegeven door mr. W.M.P.M. Weerdesteijn, rechter, en door deze en P. van den Berg, griffier, ondertekend.