In deze strafzaak stond verdachte terecht wegens ernstige mishandeling van haar zoontje, waarbij het slachtoffer letsels opliep die uiteindelijk tot zijn overlijden hebben geleid. De tenlastelegging betrof opzettelijke en met voorbedachten rade gepleegde mishandelingen in de periode van januari tot augustus 2010, met onder meer botbreuken en bloeduitstortingen als gevolg.
Tijdens het onderzoek en de procedure bleek dat het openbaar ministerie bewust het definitieve sectierapport, een cruciaal processtuk, aan verdachte had onthouden en haar hierover had misleid door te stellen dat het rapport pas later beschikbaar was en dat de presentatie in een vertrouwde omgeving plaatsvond, terwijl dit diende om informatie te verkrijgen. Tevens werden vertrouwelijke medische gegevens zonder rechterlijke machtiging aan het dossier toegevoegd en werden geheimhoudergesprekken te laat vernietigd.
De verdediging voerde verweer tegen de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, stellende dat deze schendingen van procesregels en het misleiden van verdachte een ernstige inbreuk vormden op haar recht op een eerlijk proces. De rechtbank oordeelde dat deze schendingen dermate ernstig waren dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard moest worden, ondanks de ernst van het ten laste gelegde feit.
De rechtbank benadrukte het fundamentele belang van het recht op kennisneming van processtukken en het recht op eerlijke behandeling, en stelde vast dat het openbaar ministerie doelbewust en met grove veronachtzaming van deze rechten had gehandeld. Hierdoor werd het vertrouwen in een correcte procesorde geschaad en werd het vervolgingsbelang ondergeschikt gemaakt aan het verzamelen van bewijs op onrechtmatige wijze.
De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de rechtbank Gelderland te Arnhem op 26 juni 2013, waarbij het openbaar ministerie niet-ontvankelijk werd verklaard in de vervolging van verdachte.