In deze zaak hebben zes verzoekers bezwaar gemaakt tegen de plaatsingsvolgorde die het Ministerie van Defensie hanteert bij een reorganisatie. De plaatsingsvolgorde houdt onder meer in dat personeelsleden met meer dan 35 dienstjaren achtergesteld worden ten opzichte van jongere werknemers, ondanks dat zij 35 jaar of ouder zijn.
De voorzieningenrechter stelt vast dat dit onderscheid op grond van leeftijd verboden is volgens artikel 3, aanhef en onder c, van de Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid (WGBL). Het College voor de Rechten van de Mens had reeds geoordeeld dat het onderscheid niet objectief gerechtvaardigd is omdat het niet gebaseerd is op een wettelijk vastgesteld arbeidsmarktbeleid.
Hoewel het doel van het onderscheid het beschermen van zwaar getroffen werknemers is, is het middel – het loslaten van de voorrangspositie voor oudere werknemers met meer dan 35 dienstjaren – niet passend noch noodzakelijk. Dit leidt tot disproportioneel nadeel voor deze werknemers, die ondanks hun leeftijd onvoldoende pensioenopbouw hebben.
De voorzieningenrechter schorst daarom de primaire besluiten en legt een absolute voorkeurspositie voor de verzoekers vast bij de eerst vrijvallende passende functie. Tevens worden de proceskosten aan de zijde van de verzoekers toegewezen. Tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel mogelijk.