VGZ voerde een onderzoek uit naar tandartskosten van haar verzekerden en constateerde dat de praktijk van eiser aanzienlijk hogere kosten declareerde dan het landelijke gemiddelde. Ondanks herhaalde verzoeken weigerde eiser voldoende inlichtingen te verschaffen en in gesprek te gaan. VGZ stuurde daarop een brief aan verzekerden van eiser waarin zij informeerde over het bovengemiddelde declaratiegedrag en mogelijke gevolgen daarvan.
Eiser stelde dat deze brief onrechtmatig was en vorderde rectificatie en schadevergoeding. De rechtbank oordeelde dat VGZ op grond van de Zorgverzekeringswet gerechtigd was om inlichtingen te vragen en dat eiser verplicht was deze te verstrekken. Omdat eiser niet meewerkte en VGZ geen andere adequate middelen had om de rechtmatigheid en doelmatigheid van de declaraties te controleren, was het informeren van verzekerden gerechtvaardigd.
De rechtbank vond dat de brief feitelijk juist was, niet onnodig suggestief of beschadigend en binnen het kader van de verzekeringsrelatie viel. De vorderingen van eiser werden afgewezen en hij werd veroordeeld in de proceskosten.