In deze civiele procedure stond de vraag centraal of Lourdes Projecten toerekenbaar tekort was geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit hoofde van een aannemingsovereenkomst met Justus Magnus. De rechtbank oordeelde dat dit niet was komen vast te staan. Cruciaal was de uitleg en toepassing van een zekerheidsclausule in het contract, waarbij Justus Magnus onvoldoende zekerheid kon bieden voor het restant van de bouwsom.
De rechtbank stelde vast dat Lourdes Projecten gerechtigd was haar werkzaamheden te schorsen omdat Justus Magnus niet aan haar betalingsverplichtingen had voldaan en niet de vereiste zekerheid had gesteld. De bestuurders van Lourdes Projecten konden daarom niet aansprakelijk worden gehouden. De vorderingen van Justus Magnus werden afgewezen.
In reconventie werd het beslag van Justus Magnus onder een bestuurder van Lourdes Projecten opgeheven, met een dwangsom bij niet-naleving. De proceskosten werden deels toegewezen en deels gecompenseerd. De uitspraak bevestigt het belang van duidelijke zekerheidstellingen en de grenzen van bestuurdersaansprakelijkheid in bouwcontracten.