De zaak betreft een vordering tot terugbetaling van een geldlening die ruim 29 jaar geleden is aangegaan tussen familieleden. De eiser, een erfgenaam van een contractspartij, vordert betaling van de lening van de gedaagden, eveneens erfgenamen van de andere partij. De gedaagde sub 2 voert aan dat de lening is terugbetaald, maar slaagt hier niet in, waarna de rechtbank de verjaring beoordeelt.
De rechtbank oordeelt dat de lening een duidelijke aflossingsregeling bevatte, waardoor een verjaringstermijn van vijf jaar geldt voor zowel hoofdsom als rente. De laatste opeisbare termijn was in 1998, waardoor de vordering op 2 januari 2003 verjaard was. Betwiste stuitingen door brieven en betalingen falen omdat deze na verjaring plaatsvonden en slechts natuurlijke verbintenissen betroffen.
De eiser stelt ook dat verjaring niet kan worden ingeroepen wegens misbruik van vertrouwen en valsheid in geschrifte, maar dit wordt verworpen omdat de valsheid pas na verjaring is gepleegd en er onvoldoende bewijs is voor misbruik.
De rechtbank wijst de vordering af en beslist dat alle gedaagden, ook degenen die verstek lieten gaan, gelijk worden behandeld vanwege de onderlinge rechtsbetrekking. Proceskosten worden ieder voor eigen rekening genomen.