Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2013:6087

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
23 december 2013
Publicatiedatum
24 december 2013
Zaaknummer
253117 KZ KV 13-295
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36 RvArt. 6 lid 1 EVRMArt. 14 lid 1 IVBPR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot wraking van rechter wegens vermeende vooringenomenheid

Verzoeker diende een wrakingsverzoek in tegen mr. J.T.G. Roovers, rechter bij de rechtbank Gelderland, wegens vermeende vooringenomenheid tijdens een comparitie. Verzoeker stelde dat de rechter onjuiste aannames had gedaan en onvoldoende kennis had van het dossier, en dat hij zich niet goed gehoord voelde.

De rechtbank onderzocht het verzoek aan de hand van artikel 36 Rv Pro en relevante jurisprudentie over rechterlijke onpartijdigheid. De wrakingskamer oordeelde dat de gestelde vraag van de rechter over het doorprocederen tot de Hoge Raad niet wijst op vooringenomenheid, maar mogelijk verband hield met een schikkingsmogelijkheid.

Verder concludeerde de wrakingskamer dat er geen aanwijzingen waren dat de rechter het dossier niet goed had gelezen of het beginsel van hoor en wederhoor had geschonden. Het voorlopige oordeel van de rechter tijdens de comparitie is geen grond voor wraking.

De wrakingskamer stelde vast dat er geen uitzonderlijke omstandigheden waren die een zwaarwegende aanwijzing voor vooringenomenheid opleverden. Het verzoek tot wraking werd daarom afgewezen en de procedure werd voortgezet in de stand waarin deze zich bevond bij indiening van het wrakingsverzoek.

Uitkomst: Het verzoek tot wraking van de rechter wordt afgewezen en de procedure wordt voortgezet.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Zutphen
Meervoudige wrakingskamer
Rekestnummer: 253117 KZ KV 13-295
Beslissing van 23 december 2013 van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van:
[verzoeker],
wonende te [plaats] (Andorra)
hierna te noemen: verzoeker,
strekkende tot wraking van:
mr. J.T.G. Roovers,
rechter in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechter.

1.Het verloop van de procedure

Het verloop van de wrakingsprocedure blijkt uit:
  • het verzoekschrift tot wraking d.d. 24 oktober 2013;
  • de toelichting op het verzoekschrift d.d. 25 oktober 2013;
  • de schriftelijke reactie van de rechter, strekkende tot het afwijzen van het verzoekschrift tot wraking;
  • de schriftelijke reactie van verzoeker op het verweerschrift van de rechter;
  • de pleitnota van verzoeker;
  • de aantekeningen van de griffier van de op 9 december 2013 gehouden mondelinge behandeling van het verzoek.

2.Het wrakingsverzoek

2.1
Verzoeker heeft aan zijn wrakingsverzoek, voor zover relevant, het volgende ten grondslag gelegd. De rechter was tijdens de comparitie vooringenomen, hetgeen onder andere naar voren kwam in zijn uitlatingen. Zo begon de rechter de comparitie met de vraag of verzoeker van plan was door te procederen tot aan de Hoge Raad. Toen de rechter deze vraag stelde dacht verzoeker gelijk aan de faillissementszaak van makelaardij Bieze die bij de rechter-commissaris te Zutphen ligt en waarin verzoeker schuldeiser is. De rechter en de rechter-commissaris moeten hierover met elkaar gepraat hebben, deze vraag kan geen toeval zijn. Daarnaast had de rechter het dossier (juridisch) niet goed gelezen. Verzoeker voelt zich niet goed gehoord, nu hij niets mocht zeggen en de wederpartij haar onwaarheden wel. De rechter heeft met zijn voorlopig oordeel onjuiste aannames gedaan over de rechtsgeldigheid van de door verzoeker aan de wederpartij verzonden fax en over de volmacht die de wederpartij pretendeert te hebben. De rechter kan bovendien zijn voorlopig oordeel nog niet geven als verzoeker de conclusie van repliek nog niet heeft genomen, aldus verzoeker.

3.Het standpunt van de rechter

De rechter heeft schriftelijk het verzoek tot wraking gemotiveerd weersproken. Op hetgeen hij heeft aangevoerd zal hierna, indien van belang, nader worden teruggekomen

4.De beoordeling door de rechtbank

4.1
Ingevolge artikel 36 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan op verzoek van een partij een rechter die een zaak behandelt, worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
4.2
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dient bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en artikel 14 lid 1 van Pro het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.
4.3
Onderzocht moet worden of de door verzoeker aangevoerde gronden kunnen worden gekwalificeerd als een dergelijke uitzonderlijke omstandigheid.
4.4
Verzoeker heeft ten eerste aan zijn verzoek ten grondslag gelegd de door de rechter gestelde vraag ‘of verzoeker door wenste te procederen tot aan de Hoge Raad.’ Daargelaten het feit dat de verzoeker en de rechter verschillen van mening op welk moment tijdens de comparitie deze vraag is gesteld, kan de wrakingskamer zich voorstellen dat de vraag is gesteld in het kader van een mogelijk te treffen schikking. Hoewel de vraag kennelijk bij verzoeker verkeerd is gevallen, geeft deze vraag naar zijn aard naar het oordeel van de wrakingskamer geen blijk van vooringenomenheid. Dat deze vraag door de rechter is ingegeven door het faillissementsdossier dat ligt bij de rechter-commissaris te Zutphen is niet meer dan een niet gemotiveerde veronderstelling van verzoeker waar aan voorbij wordt gegaan.
4.5
Over hetgeen verzoeker verder ten grondslag heeft gelegd aan zijn verzoek wordt door de wrakingskamer geoordeeld als volgt. De wrakingskamer ziet geen aanleiding om aan te nemen dat de rechter het dossier niet heeft gelezen. Dat verzoeker dit zo heeft ervaren omdat het voorlopig oordeel hem onwelgevallig voorkwam, maakt dit niet anders nu het een rechter vrij moet staan, zeker tijdens een comparitie, om partijen in kennis te stellen van hetgeen hij tot dan toe uit de processtukken en hetgeen hierover ter zitting is toegelicht, heeft afgeleid. Ook partijen hebben er belang bij om te vernemen hoe de rechter tegen de zaak aankijkt. Dat verzoeker het niet eens is met de voorlopige oordelen is geen grond voor wraking.
Dat er sprake is van schending van het beginsel van hoor en wederhoor blijkt niet uit de zittingsaantekeningen van de comparitie. Integendeel, daaruit blijkt dat door en namens verzoeker het woord is gevoerd. Daar komt bij dat de onderliggende zaak nog niet voor vonnis staat en dat verzoeker in de gelegenheid is gesteld zich bij akte uit te laten.
4.6
Gelet op het voorgaande komt de wrakingskamer tot het oordeel dat er geen sprake is geweest van uitzonderlijke omstandigheden zoals onder 4.2 bedoeld. Het verzoek tot wraking van de rechter zal dan ook worden afgewezen.

5.De beslissing

De rechtbank:
5.1
wijst het verzoek tot wraking van de rechter af;
5.2
bepaalt dat de procedure, bij de rechtbank bekend onder kenmerk: 512547 CV 13-576, zal worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment dat het onderhavige wrakingsverzoek werd ingediend.
Deze beslissing is gegeven door mr. S.A.M. Vrendenbarg, voorzitter, mrs. J.T van Belzen en M.C. van der Mei, rechters, en in het openbaar uitgesproken op 23 december 2013 in aanwezigheid van mr. M.S. Bos, griffier.