Eisers, actief in financiële en fiscale dienstverlening, hebben jarenlang nagelaten belastingaangiften te doen, waardoor de Belastingdienst ambtshalve aanslagen heeft opgelegd die onherroepelijk zijn geworden. De Ontvanger heeft dwangbevelen uitgevaardigd en beslag gelegd op hun roerende zaken.
Eisers stelden dat een deel van de belastingschuld van eiser sub 1 was verjaard en dat de Ontvanger onrechtmatig handelde door dwangbevelen ten uitvoer te leggen. De rechtbank oordeelde dat de belastingschuld van eiser sub 1 deels verjaard is, maar dat de Ontvanger gerechtigd is dwangbevelen te executeren voor het niet-verjaarde deel. Voor eiser sub 2 is geen verjaring vastgesteld.
De rechtbank verwierp het betoog dat de aanslagen materieel onverschuldigd zijn, omdat bezwaar en beroep bij de belastingrechter openstonden die niet zijn benut. Er waren geen bijzondere omstandigheden die ingrijpen door de burgerlijke rechter rechtvaardigen. Het verzet werd ongegrond verklaard en de eisers werden veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.