De rechtbank Gelderland behandelde een civiele zaak tussen een man en een vrouw over de verdeling van hun huwelijksgemeenschap. Partijen waren gehuwd in 1990 onder Turks recht en hadden geen huwelijksvoorwaarden of rechtskeuze gemaakt. De vrouw woonde in Nederland en de Nederlandse rechter was bevoegd.
De rechtbank oordeelde dat het Turkse huwelijksvermogensrecht van toepassing was, waarbij tot 1 januari 2002 sprake was van algehele scheiding van goederen, en vanaf 1 januari 2002 het regime van verwervingsdeelneming. De echtscheiding werd ingediend op 13 januari 2009, waarna het huwelijksgoederenregime eindigde.
De rechtbank bepaalde dat de woning gezamenlijk eigendom was, maar dat deze verkocht moest worden omdat de man niet kon financieren. De opbrengst minus hypotheek en levensverzekering werd bij helfte verdeeld. Het flexibel krediet werd aan de man toegewezen, met vrijwaring van de vrouw. De inboedel en auto werden verdeeld zoals partijen die feitelijk hielden. De vordering tot afgifte van de piano werd afgewezen omdat de dochter meerderjarig was en de moeder niet bevoegd tot vordering.
Verder werd de man veroordeeld tot inzage in inkomens- en vermogensgegevens en tot medewerking aan verdeling van goederen verkregen tussen 2006 en 2009. De proceskosten werden gecompenseerd zodat iedere partij eigen kosten draagt. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.