ECLI:NL:RBGEL:2013:CA3481
Rechtbank Gelderland
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering tot opheffing conservatoir beslag in geldleningsovereenkomst
In deze zaak vordert eiser opheffing van conservatoir derdenbeslag dat gedaagde ten laste van hem heeft gelegd in verband met een geldleningsovereenkomst uit 2007. De lening betrof financiering van een project voor een leisure complex in Turkije, waarbij gedaagde aandelen kreeg en een put-optie had om deze aandelen te verkopen.
Eiser stelt dat gedaagde uiterlijk 1 september 2009 heeft aangegeven de aandelen te willen behouden, waardoor de lening niet terugbetaald hoeft te worden. Gedaagde betwist dit en stelt dat de put-optie niet kon worden uitgeoefend, zodat zij de aandelen noodgedwongen heeft gehouden zonder dat dit betekent dat zij ze wenste te behouden in de zin van de overeenkomst.
De rechtbank oordeelt dat de uitleg van de overeenkomst onvoldoende duidelijkheid geeft over de bedoeling van partijen omtrent het behoud van aandelen en de terugbetaling van de lening. Een nader onderzoek naar de partijbedoeling is in kort geding niet mogelijk en dient in de bodemprocedure plaats te vinden.
Verder is niet summierlijk gebleken dat de vordering van gedaagde ondeugdelijk is. Gezien het belang van gedaagde om verhaal te houden op eiser en het ontbreken van voldoende onderbouwing van eiser voor opheffing van het beslag, blijft het beslag liggen. De vordering wordt afgewezen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De vordering tot opheffing van het conservatoir beslag wordt afgewezen en het beslag blijft liggen.