ECLI:NL:RBGEL:2014:1443

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
5 maart 2014
Publicatiedatum
5 maart 2014
Zaaknummer
C/05/254508 / HA ZA 13-773
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 69 RvTitel 15 Boek 1 BWDerde titel Boek 1 RvZesde titel Boek 3 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwijzing zorgregeling naar verzoekschriftprocedure door rechtbank Gelderland

In deze zaak vordert de man nakoming van een omgangsregeling die eerder door de rechtbank was vastgesteld, met een dwangsom bij niet-nakoming. De rechtbank oordeelt echter dat de vordering niet los kan worden gezien van de zorg- en opvoedingstaken die onder titel 15 van boek 1 BW vallen.

Gezien het belang van de minderjarige kinderen en de specifieke deskundigheid van de kinderrechter, wordt de zaak verwezen naar de rekestenafdeling (kinderrechter) conform artikel 69 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De dwangsom die de man aan zijn vordering verbond, verhindert deze verwijzing niet.

De rechtbank houdt de beslissing over de kosten van het incident aan totdat in de hoofdzaak wordt beslist. De procedure wordt voortgezet volgens de regels van de verzoekschriftprocedure bij het Team Jeugdrecht van de rechtbank Gelderland te Arnhem.

Uitkomst: De rechtbank verwijst de zaak naar de verzoekschriftprocedure bij de kinderrechter en houdt de beslissing over de kosten aan.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team familierecht
Zittingsplaats Arnhem
zaaknummer / rolnummer: C/05/254508 / HA ZA 13-773
Vonnis in incident van 5 maart 2014
in de zaak van
[naam partij],
wonende te [woonplaats],
eiser in de hoofdzaak,
verweerder in het incident,
advocaat mr. S.G. Volbeda te Arnhem,
tegen
[naam partij],
wonende te [woonplaats],
gedaagde in de hoofdzaak,
eiseres in het incident,
advocaat mr. C.J. Looijen te Zetten.
Partijen zullen hierna de man en de vrouw genoemd worden.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding;
  • de akte domiciliekeuze;
  • de incidentele conclusie tot verwijzing naar de rekestenafdeling;
  • de incidentele conclusie van antwoord.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2.De beoordeling in het incident

2.1.
De vrouw vordert in het incident dat de rechtbank de zaak verwijst naar de rekestenafdeling, nu het gaat om een omgangsregeling en de vaststelling van de inhoud daarvan. De man voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
2.2.
De man heeft in de hoofdzaak gevorderd, kort gezegd en voor zover thans van belang, om de vrouw te veroordelen tot nakoming en uitvoering van een bij beschikking van 21 januari 2010 door de rechtbank vastgestelde omgangsregeling, onder verbeurte van een dwangsom. Naar het oordeel van de rechtbank kan de vordering van de man niet slechts opgevat worden als een vordering tot nakoming van een eerder gegeven beschikking, omdat deze een onderwerp betreft dat ziet op een regeling ter verdeling van zorg- en opvoedingstaken, zoals geregeld in titel 15 van boek 1 Burgerlijk Wetboek. De vordering kan niet los hiervan worden beoordeeld.
Op grond van het bepaalde in de derde titel van boek 1 en de zesde titel van boek 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv.) dient een verzoek ten aanzien van een regeling ter verdeling van zorg- en opvoedingstaken te worden ingeleid met een verzoekschrift. Aangezien bij de beslissing de belangen van de minderjarige kinderen van partijen voorop staan, is de kinderrechter, gelet op diens specifieke deskundigheid, de meest aangewezen rechter om van de zaak kennis te nemen en daarover te beslissen.
2.3.
Op grond hiervan zal de zaak conform het bepaalde in artikel 69 Rv Pro. worden verwezen naar de kinderrechter van deze rechtbank. Dat de man aan zijn vordering een dwangsom heeft verbonden, staat hieraan niet in de weg, nu een dwangsom slechts een bijkomend karakter heeft en iedere feitelijke rechter, zowel in de dagvaardings- als in de verzoekschriftenprocedure, in beginsel de bevoegdheid heeft om een dwangsom op te leggen.
2.4.
De rechtbank zal de beslissing omtrent de kosten van het incident aanhouden, totdat in de hoofdzaak zal worden beslist.

3.De beslissing

De rechtbank
in het incident
3.1.
verwijst de zaak in de stand waarin deze zich bevindt naar het Team Jeugdrecht van deze rechtbank, locatie Arnhem, en bepaalt dat de procedure wordt voortgezet volgens de regels die gelden voor de verzoekschriftprocedure;
3.2.
houdt de beslissing omtrent de kosten van het incident aan,
in de hoofdzaak
3.3.
houdt iedere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. dr. J.C.E. Ackermans-Wijn en in het openbaar uitgesproken op 5 maart 2014.