ECLI:NL:RBGEL:2014:2074

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
11 maart 2014
Publicatiedatum
26 maart 2014
Zaaknummer
258662 / FTRK 14-211
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 lid 2 FaillissementswetArt. 3 EU Insolventieverordening
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot faillietverklaring wegens onvoldoende openbaar belang

Het openbaar ministerie verzocht de rechtbank Gelderland om verweerster failliet te verklaren op grond van artikel 1 lid 2 van Pro de Faillissementswet, stellende dat er sprake was van een openbaar belang. Dit belang zou gelegen zijn in het beschermen van diverse failliete boedels, het ondersteunen van een lopend strafrechtelijk onderzoek en het voorkomen van het wegsluizen van vermogen dat toebehoort aan de echtgenoot van verweerster.

De rechtbank oordeelde dat het openbaar ministerie het openbaar belang onvoldoende had aangetoond. Het feit dat vermogen mogelijk onttrokken is aan failliete boedels vormt geen openbaar belang dat het belang van crediteuren overstijgt, en het is aan de curatoren om hiertegen op te treden. Ook het belang van waarheidsvinding in het strafrechtelijk onderzoek rechtvaardigt volgens de rechtbank geen faillissementsverzoek.

Daarnaast concludeerde de rechtbank dat het vermoeden van het wegsluizen van vermogen via verweerster onvoldoende onderbouwd was om een faillietverklaring te rechtvaardigen, mede omdat de echtgenoot van verweerster reeds failliet is en de curator toezicht houdt. Verweerster betwistte bovendien dat zij niet meer aan haar betalingsverplichtingen kon voldoen.

Gelet op deze overwegingen wees de rechtbank het verzoek tot faillietverklaring af. De beschikking werd gegeven op 11 maart 2014 door mr. P.F.A. Bierbooms.

Uitkomst: Het verzoek tot faillietverklaring van verweerster wordt afgewezen wegens onvoldoende aangetoond openbaar belang.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK GELDERLAND
Team Insolventies
Zittingsplaats Zutphen
zaaknummer / rolnummer: 258662 / FTRK 14-211
Beschikking van 11 maart 2014
in de zaak van
de officier van justitie bij het functioneel parket, optredende in het arrondissement Gelderland,
strekkende tot faillietverklaring van:
[verweerster],
geboren te [plaats] op [1958],
wonende te [plaats, gemeente, adres],
verweerster,
advocaten: mrs. F.H.H. Sijbers te ’s-Gravenhage, R. van Bree te ’s-Gravenhage, en N.W.M. van den Heuvel te Breda.
1.
Het verloop van de procedure
Dit verloop blijkt uit:
- het op 3 februari 2014 ter griffie van deze rechtbank binnengekomen
verzoek van de officier van justitie
- de brief met bijlagen van de officier van justitie van 16 februari 2014
- de e-mail met bijlage van de officier van justitie van 10 maart 2014
- de behandeling van het verzoekschrift op 11 maart 2014.

2.Het verzoekDe officier van justitie verzoekt om [verweerster] in staat van faillissement te verklaren.

3.Het verweer

[verweerster] heeft verweer gevoerd strekkende tot afwijzing van het verzoek. Het verweer wordt hierna, voor zover van belang, besproken.
4.
De beoordeling
4.1.
Nu niet gesteld of gebleken is dat het centrum van de voornaamste belangen van schuldenares zich in een andere lidstaat bevindt dan die waarin haar woonplaats is gelegen, gaat de rechtbank op grond van het bepaalde in artikel 3 van Pro de EU Insolventievordering uit van de bevoegdheid van de Nederlandse rechter.
4.2.
Artikel 1 lid 2 van Pro de Faillissementswet (Fw) geeft het openbaar ministerie de bevoegdheid een faillietverklaring te verzoeken om redenen van openbaar belang. De officier van justitie heeft in dat verband aangevoerd - samengevat weergegeven - dat het openbaar belang zich in deze zaak manifesteert in het belang van diverse failliete boedels waaraan het vermogen van [verweerster] is onttrokken, het belang van waarheidsvinding in het tegen [verweerster] lopende strafrechtelijke onderzoek alsmede het voorkomen van verder wegsluizen van vermogen dat in feite toekomt aan de echtgenoot van [verweerster], de heer [echtgenoot verweerster], buiten toezicht van curatoren. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het openbaar ministerie, mede gelet op het door [verweerster] gevoerde verweer, het aan dit verzoekschrift ten grondslag gelegde openbaar belang onvoldoende aangetoond.
4.3.
In het algemeen geldt dat van een openbaar belang als in dit artikel bedoeld slechts sprake is indien er belangen spelen die de belangen van de afzonderlijke of gezamenlijke crediteuren overstijgen. Zonder toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien waarom de mogelijkheid dat aan diverse failliete boedels vermogen van [verweerster] is onttrokken, een openbaar belang oplevert dat het belang van de afzonderlijke of gezamenlijke crediteuren overstijgt en ingrijpen door het openbaar ministerie noodzakelijk maakt. Het is immers aan de curatoren van de betreffende failliete boedels om daartegen te ageren. Dat die curatoren, zoals de officier van justitie ter zitting nog heeft aangevoerd, mogelijk op “informatie-achterstand” staan en daarom nog geen stappen hebben gezet tegen [verweerster], kan op zich nog geen faillietverklaring om redenen van openbaar belang rechtvaardigen. Die eventuele informatie-achterstand, zo daar al sprake van is, is immers - zo heeft [verweerster] ter zitting betoogd - mede veroorzaakt doordat het openbaar ministerie de administraties van [verweerster] en van aan [echtgenoot verweerster] gelieerde ondernemingen geheel of ten dele in beslag heeft genomen. Bovendien is het aan het openbaar ministerie om eventuele essentiële informatie met de curatoren dan wel rechters-commissarissen in de betreffende faillissementen te delen. Niet is duidelijk geworden dat het faillissement van [verweerster] daarin eerder of beter zou voorzien.
4.4.
Het belang van waarheidsvinding in het tegen [verweerster] ingestelde strafrechtelijk onderzoekt vormt op zich geen openbaar belang dat het faillissementsverzoek door het openbaar ministerie rechtvaardigt. Zoals door [verweerster] ter zitting terecht is aangevoerd miskent deze stellingname het doel en de strekking van een faillissement, te weten: het vereffenen van het vermogen van de schuldenaar ten behoeve van zijn gezamelijke schuldeisers. Bovendien is onvoldoende aangetoond dat het faillissement van [verweerster] noodzakelijk is voor het strafrechtelijk onderzoek, gelet op alle strafrechtelijke bevoegdheden waarover het openbaar ministerie in het kader van dat onderzoek reeds beschikt.
4.5.
Het openbaar ministerie heeft tot slot aangevoerd dat het openbaar belang gelegen is in het feit dat er sprake is van “een zwart gat” waarin vermogen dat in feite aan [echtgenoot verweerster] toebehoort via [verweerster] ten behoeve van de [familie] wordt witgewassen c.q. weggesluisd. Hoewel op grond van de door het openbaar ministerie bij het verzoek gevoegde stukken niet op voorhand valt uit te sluiten dat door [verweerster] is meegewerkt aan aanzienlijke vermogensverschuivingen tussen haar en haar man, waarbij de grondslag niet in alle gevallen duidelijk is dan wel er redenen zijn te twijfelen aan de rechtsgeldigheid daarvan, is niet duidelijk geworden dat het openbaar belang op dit moment vergt dat [verweerster] failliet wordt verklaard. Immers, [echtgenoot verweerster] is reeds enige tijd failliet zodat van wegsluizen van vermogen van [echtgenoot verweerster] op dit moment geen sprake meer zou moeten kunnen zijn, althans de curator van [echtgenoot verweerster] daarop zal toezien. De door het openbaar ministerie genoemde feiten die zouden duiden op het wegsluizen dan wel witwassen van het vermogen van [echtgenoot verweerster], hebben zich voltrokken geruime tijd voor het faillissement van [echtgenoot verweerster] en niet daarna. In de door het openbaar ministerie gestelde feiten heeft de curator van [echtgenoot verweerster] tot op heden kennelijk nog geen aanleiding gezien om bedragen van [verweerster] terug te vorderen, althans dat is gesteld noch gebleken.
4.6.
Nu door [verweerster] voorts is betwist dat zij in een toestand verkeert dat zij is opgehouden te betalen en zij de schulden waarop het openbaar ministerie het verzoek heeft gebaseerd ten gronde heeft betwist, dient het verzoek te worden afgewezen.
DE BESLISSING
De rechtbank, beschikkende
wijst af het verzoek tot faillietverklaring van [verweerster] voornoemd.
Deze beschikking is gegeven op 11 maart 2014 door mr. P.F.A. Bierbooms, in tegenwoordigheid van de griffier.