Verzoekster huurt een woning van Stichting Omnia Wonen en heeft een huurachterstand opgebouwd van €3.415,68 inclusief rente en kosten. De kantonrechter heeft de huurovereenkomst ontbonden en ontruiming bevolen, welke gepland stond op 17 april 2014. Verzoekster vroeg op 15 april 2014 een voorlopige voorziening op grond van artikel 287b, eerste lid, Faillissementswet om ontruiming te voorkomen.
Tijdens de zitting op 16 april 2014 verklaarde verzoekster dat zij door het beëindigen van haar WWB-uitkering en problemen met de financiën van haar partner niet in staat was de huur te betalen. Zij verwachtte vanaf april 2014 een WWB-uitkering te ontvangen en verwees naar mondelinge toezeggingen en een mogelijk voorschot van de gemeente. Verzoekster benadrukte het belang van een stabiele thuislocatie voor het verblijf van haar kinderen.
Verweerder stelde dat verzoekster wist of had moeten weten dat zij de huurovereenkomst niet kon nakomen, dat zij geen medewerking verleende aan schuldhulpverlening, en dat er geen zekerheid was over de uitkering of het voorschot. De rechtbank oordeelde dat sinds september 2013 geen huur is betaald, er geen bewijs is van een toegekende uitkering of voorschot, en dat mondelinge toezeggingen onvoldoende zijn. Het belang van verweerder weegt zwaarder omdat de betalingsverplichting niet gewaarborgd is.
Daarom werd het verzoek om schorsing van de ontruiming afgewezen.