Uitspraak
[verdachte]
1.De inhoud van de tenlastelegging
2.Het onderzoek ter terechtzitting
(voorlopig koopcontract [adres 3], p. 848 t/m 852, en taxatierapporten met betrekking tot [adres 4], p. 857 t/m 882, [adres 5], p. 913 t/m 939, [adres 6], p. 971 t/m 1020 en [adres 7], p. 1075 t/m 1128).Opmerking verdient dat taxatierapporten die zien op in Duitsland te veilen objecten eenvoudig zijn in te zien op de website [naam site 1]Ter zitting heeft verdachte verklaard deze internetsite te kennen. In de commissieovereenkomst staat telkens vermeld dat [naam CV/BV] bij aankoop van grond en opstallen een percentage van het aankoopbedrag aan commissie verschuldigd is aan [tipgever] namens hetzij [naam BV 1] B.V., hetzij [naam BV 2] B.V. [31]
De rechtbank acht onvoldoende wettig en overtuigend bewijs in het dossier aanwezig, om zonder meer tot een bewezenverklaring van de deelnemingsvorm ‘medeplegen’ te komen.
(taxatierapport met betrekking tot [adres 8], D-13-03-03, p. 1214 t/m 1258).Met betrekking tot de – bij verdachte bekende - publieke toegankelijkheid van taxatierapporten die zien op in Duitsland te veilen objecten, verwijst de rechtbank naar hetgeen hierover ten aanzien van de feiten 1 en 2 is overwogen. In de commissieovereenkomst staat vermeld dat [naam BV 3] B.V. bij aankoop van een bedrijfspand een percentage van het aankoopbedrag aan commissie verschuldigd is aan [medeverdachte] namens [naam BV 4] B.V. [52] Hoewel verdachte de op de factuur vermeldde BTW wel als voorbelasting bij de Belastingdienst heeft teruggevraagd, is door verdachte echter geen bewijs overlegd dat ziet op (bezigheden met betrekking tot) daadwerkelijke aankoop van het pand. Ter zitting heeft verdachte overigens telkens wisselend en niet ondubbelzinnig verklaard over op welk moment de op de factuur vermelde commissie aan [naam BV 4] B.V. al dan niet verschuldigd zou zijn. Op de vraag of de factuur door verdachte is voldaan, beroept hij zich op zijn zwijgrecht.
- Zij het opmerkelijk acht dat ook deze facturen afkomstig zijn van het bedrijf van (voormalig) goede vriend [medeverdachte] en deze facturen op aanmerkelijk andere werkzaamheden betrekking hebben dat factuur D-13-03 en voorts geen raakvlakken hebben met de eerder vermelde bedrijfsomschrijving van [naam BV 4] B.V.
- Zij het voorts opmerkelijk acht dat, zoals door verdachte wordt gesteld, [medeverdachte] de foto’s voor [naam site 2] maakte en in dat kader vijf avonden per week weg was (en kennelijk daarnaast het onderhoud van de digitale fotoalbums voor zijn rekening nam) en dat hij daarnaast ook nog activiteiten verrichtte met betrekking tot onroerend goed in Duitsland, zoals volgens verdachte zou moeten volgen uit factuur D-13-03. Opmerkelijk is in dit verband ook dat [medeverdachte] heeft verklaard geen eigen computer te hebben en niet handig te zijn in het maken van een logo.
Ten aanzien van het onder 5 tenlastegelegde feit
[naam site 3], eigenaar van[bedrijf] en tevens eigenaar van voornoemde domeinnaam, heeft verklaard de factuur te hebben opgemaakt en verstuurd nadat hij met verdachte tot overeenstemming over de prijs was gekomen. Hoewel betaling van de factuur door [naam BV 5] B.V. uiteindelijk is uitgebleven, hetgeen, in het licht van de andere tenlastegelegde en bewezen verklaarde feiten, te denken geeft, acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat geen sprake is geweest van een reële overeenkomst, dan wel een door verdachte opgezette schijnconstructie om een factuur te krijgen die kon worden gebuikt ten behoeve van een opzettelijk onjuiste belastingaangifte.
(rechtbank: de laatste twee weken van mei 2009)verricht en de factuur is nooit betaald. [109] Gelet op de hoogte van de factuur van [betrokkene 2] en gelet op de datum van de offertes en de factuur, is het opmerkelijk dat de factuur van [naam BV 4] B.V. dateert van 11 mei 2009, te weten van voor de eerste offerte, en in totaal bijna drie maal zoveel als de factuur van [betrokkene 2], namelijk € 29.892,80 inclusief BTW, bedraagt.
,als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een aangifte voor de omzetbelasting over het tweede kwartaal van 2009 onjuist heeft gedaan bij de Inspecteur derbelastingen terwijl dat feit er toe strekte dat te weinig belasting wordt geheven, hebbende die onjuistheid hierin bestaan, dat in de (digitale) aangifte over het tweede kwartaal van 2009 een te hoog bedrag aan voorbelasting werd vermeld,