Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
1.De procedure
- het tussenvonnis van 11 juni 2014
- het proces-verbaal van comparitie van 23 september 2014.
2.De feiten
3.De vordering
4.Het verweer
5.De beoordeling
904,00(2,0 punten × tarief € 452,00)
Rechtbank Gelderland
Eiser, werkzaam als stukadoor en vennoot in een familiebedrijf, vordert een hogere arbeidsongeschiktheidsuitkering van Achmea op basis van rugklachten. Achmea heeft het arbeidsongeschiktheidspercentage vastgesteld op 26,4%, wat recht geeft op een uitkering van 30%, en stelt dat de verzekering met terugwerkende kracht per 1 januari 2011 is beëindigd vanwege het uittreden van eiser uit de vennootschap.
De rechtbank oordeelt dat de verzekering niet feitelijk is beëindigd, mede gelet op de premiebetalingen en verzekeringsbewijzen na die datum. Tevens wordt geoordeeld dat het uittreden uit de vennootschap niet automatisch het einde van de beroepsuitoefening betekent, zeker niet wanneer dit het gevolg is van ziekte.
De vaststelling van het arbeidsongeschiktheidspercentage is contractueel geregeld en geschiedde op basis van medisch en arbeidsdeskundig onderzoek. Het beroep van stukadoor omvat diverse taken, waarvan eiser een deel nog kan verrichten. De rechtbank volgt de methode waarbij per deeltaak wordt beoordeeld of volledige arbeidsongeschiktheid geldt, en wijst het beroep van eiser af dat hij volledig arbeidsongeschikt zou zijn.
Het arbeidsongeschiktheidspercentage van 26,4% wordt als terecht vastgesteld, met ingang van 19 oktober 2010, het einde van de eigenrisicotermijn. Aangezien Achmea reeds uitkeringen op basis van dit percentage heeft verstrekt, heeft eiser geen belang bij zijn vordering. De rechtbank wijst de vordering af en veroordeelt eiser in de proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering af en bevestigt het door Achmea vastgestelde arbeidsongeschiktheidspercentage van 26,4%.