ECLI:NL:RBGEL:2014:7184

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
29 oktober 2014
Publicatiedatum
20 november 2014
Zaaknummer
247732
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:262 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rangwisseling hypotheek niet tot stand gekomen wegens valse volmacht

In deze zaak vordert Quadrato dat wordt verklaard dat de volmacht tot rangwisseling van hypotheken vals is en dat de rangwisseling derhalve niet tot stand is gekomen. Quadrato stelt dat zij niet heeft ingestemd met de rangwisseling, waardoor zij eerste hypotheekhouder blijft en Deutsche Bank tweede. Deutsche Bank betwist dit en stelt dat de financiering zonder rangwisseling niet zou zijn verstrekt.

De rechtbank overweegt dat het ontbreken van een aflossingsverplichting niet uitsluit dat sprake is van een geldlening, zeker binnen familieverhoudingen waar dergelijke constructies gebruikelijk zijn. De lening is bovendien als zodanig geboekt in de administratie van Quadrato. De rechtbank acht de volmacht tot rangwisseling vals en concludeert dat er geen instemming met de rangwisseling is geweest.

De rechtbank wijst de vorderingen van Quadrato toe en bepaalt dat de rangwisseling niet tot stand is gekomen, waardoor Quadrato eerste hypotheekhouder blijft. G&O en Deutsche Bank worden veroordeeld tot het aanpassen van de hypotheekinschrijvingen en tot betaling van een dwangsom bij niet-naleving. Tevens worden zij veroordeeld in de proceskosten en de kosten van de deskundige.

Uitkomst: De rechtbank verklaart de rangwisseling niet tot stand gekomen en bevestigt Quadrato als eerste hypotheekhouder.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht
Zittingsplaats Arnhem
zaaknummer / rolnummer: C/05/247732 / HA ZA 13-513
Vonnis van 29 oktober 2014
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
QUADRATO BEHEERMAATSCHAPPIJ B.V.,
gevestigd te Veghel,
eiseres,
advocaat mr. L. Opsteen te Uden,
tegen
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
ONROEREND GOED MAATSCHAPPIJ
G & O INSTALLATIE DAKWERKEN B.V.,
gevestigd te Tiel,
gedaagde,
advocaat mr. B.J. Stuiver te Tiel,
2.
[gedaagde sub 2],
wonende te [plaats],
gedaagde,
advocaat mr. B.J. Stuiver te Tiel,
3. de naamloze vennootschap
DEUTSCHE BANK NEDERLAND N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde,
advocaat mr. J.A. Stal te Amsterdam.
Partijen zullen hierna Quadrato en G&O genoemd worden.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het tussenvonnis van 30 juli 2014
  • de akte van G&O en [gedaagde sub 2]
  • de akte na tussenvonnis van Deutsche Bank
  • de aanvullende akte van G&O en [gedaagde sub 2].
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De verdere beoordeling

2.1.
Quadrato heeft haar eis gewijzigd in die zin dat zij thans vordert
  • voor recht te verklaren dat de handtekening onder de volmacht rangwisseling vals is en dat zij derhalve deze niet heeft geplaatst, waardoor er geen sprake is van instemming met de rangwisseling en deze niet tot stand is gekomen,
  • de nietigheid van de rangwisseling uit te spreken danwel te aanvaarden, waardoor de rang van de hypotheken in die zin wordt gewijzigd dat Quadrato eerste rang neemt en Deutsche Bank tweede,
  • en voorts datgene wat in het tussenvonnis onder 3.1 bij het derde en vierde gedachtestreepje is opgenomen.
2.2.
In het tussenvonnis is Deutsche Bank in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over hetgeen in dat vonnis onder 4.8 en 4.9 is overwogen. Deutsche Bank geeft, zoals de rechtbank blijkens het tussenvonnis al verwachtte, aan dat de financiering van € 1.650.000,00 niet zou zijn verstrekt zonder de rangwisseling, die een harde voorwaarde vormde om tot financiering te kunnen overgaan. Ter beperking van de schade die Deutsche Bank ten gevolge van ongerechtvaardigde verrijking lijdt, stelt Deutsche Bank, dient de vordering van Quadrato, in het bijzonder het onder 3 gevorderde (het derde aandachtstreepje in de samenvatting in het tussenvonnis onder 3.1), te worden afgewezen. De rechtbank zal hier onder 2.5 op in gaan.
2.3.
G&O en [gedaagde sub 2] betogen dat de geldlening (tussenvonnis onder 2.1) geen geldlening was. Hun stelling dat dit volgt uit het feit dat geen aflossing behoefde plaats te vinden dwingt niet tot deze conclusie. In de eerste plaats is dit binnen familieverhoudingen waarom het hier volgens G&O en [gedaagde sub 2] gaat, niet ongebruikelijk, ook als men een lening in stand wil houden en niet van een schenking wil spreken, zoals onder meer regelmatig om fiscale redenen gebeurt. Daarbij laten G&O en [gedaagde sub 2] expliciet de mogelijkheid bestaan dat door Quadrato de lening als lening geboekt is. Dit alles, gevoegd bij het gegeven dat Quadrato en [gedaagde sub 2] hun overeenkomst als geldlening in een akte hebben vastgelegd, leidt tot het oordeel dat de rechtbank niet verplicht is terug te komen op de beslissing dat er sprake is van een geldlening. Zo de constructie via een geldlening, zoals G&O en [gedaagde sub 2] kennelijk bedoelen, is voorgesteld, misschien zelfs doorgedrukt door Quadrato, heeft te gelden dat [gedaagde sub 2] desbewust de akte houdende een geldlening heeft ondertekend en niet gesteld of gebleken is dat hij hiertoe werd gedwongen.
2.4.
De rechtbank passeert de herhaling van G&O en [gedaagde sub 2] tegen hun bezwaren tegen het rapport van de deskundige [naam].
2.5.
Het voorgaande leidt in de eerste plaats tot toewijzing van de vorderingen tot verklaring van recht in voege zoals in het dictum hieronder aangegeven. De rechtbank ziet in de bezwaren van Deutsche Bank tegen toewijzing van de hierboven bedoelde verklaring voor recht geen redenen niet tot deze toewijzing, waartoe de feiten dwingen, over te gaan. Het belang van Deutsche Bank is evident, maar het is aan haarzelf na deze uitspraak maatregelen tot bescherming daarvan te nemen.
2.6.
De vervolgens primair ingestelde vordering Quadrato te machtigen het vonnis in het kadaster in te schrijven zodat de rangwisseling ongedaan gemaakt wordt, stuit af op het gegeven dat gebleken noch aannemelijk geworden is dat gedaagden indien veroordeeld tot de inschrijving, al dan niet onder druk van de subsidiair gevorderde dwangsom, niet bereid zou(den) zijn. Deze primaire vordering zal dan ook worden afgewezen, terwijl de subsidiair gevorderde veroordeling voor toewijzing gereed ligt. Het gaat daarbij om een voorlopige inschrijving omdat immer aan de verklaringen voor recht geen uitvoerbaarverklaring bij voorraad kan worden verbonden, zodat zij pas als dit vonnis onherroepelijk is, tot een definitieve inschrijving kunnen leiden.
2.7.
De kosten van de deskundige [naam], € 1.300,75, komen voor vergoeding in aanmerking omdat zij door de rechtbank worden gezien als noodzakelijke kosten ter instructie van de zaak.
2.8.
De overigens gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten is niet met feiten onderbouwd en zal daarom worden afgewezen.
2.9.
G&O, [gedaagde sub 2] en Deutsche Bank zullen als grotendeels in het ongelijk gesteld worden veroordeeld in de proceskosten. Een grond voor hoofdelijke veroordeling in de proceskosten acht de rechtbank niet aanwezig. Geldschulden zijn naar hun aard deelbaar en er bestaat geen rechtens relevante band tussen de drie gedaagden die tot hoofdelijkheid zou dwingen.
2.10.
De gevorderde dwangsom zal worden beperkt als volgt.
2.11.
G&O, [gedaagde sub 2] en Deutsche Bank zullen als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Quadrato worden begroot op:
- dagvaarding € 240,13
- griffierecht 589,00
- salaris advocaat
1.130,00(2,5 punten × tarief € 452,00)
Totaal € 1.884,88

3.De beslissing

De rechtbank
3.1.
verklaart voor recht dat de volmacht van Quadrato tot de rangwisseling die is gedateerd op 10 juni 2005 (tussenvonnis van 30 juli 2014 onder 2.3) niet gegeven is, zodat Quadrato niet aan de beoogde rangwisseling heeft meegewerkt,
3.2.
verklaart voor recht dat de rangwisseling bedoeld in het tussenvonnis van 30 juli 2014 onder 2.3 niet tot stand gekomen is,
3.3.
verklaart voor recht dat ten gevolge van de beslissingen onder 3.1 en 3.2 de rangorde tussen de in het tussenvonnis van 30 juli 2014 bedoelde hypotheekhouders zo is, dat Quadrato eerste hypotheekhouder is en Deutsche Bank tweede,
3.4.
veroordeelt G&O en Deutsche Bank tot het voorlopig aanpassen van de inschrijvingen van de hypotheken aan de beslissingen onder 3.1, 3.2 en 3.3 hierboven binnen dertig dagen na de datum van dit vonnis,
3.5.
veroordeelt G&O en Deutsche Bank om aan Quadrato een dwangsom te betalen van € 5.000,00 voor iedere dag dat zij niet aan de in 3.4 uitgesproken veroordeling voldoen, tot een maximum van € 100.000,00 is bereikt,
3.6.
veroordeelt G&O, [gedaagde sub 2] en Deutsche Bank in de proceskosten, aan de zijde van Quadrato tot op heden begroot op € 1.884,88, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW Pro over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,
3.7.
veroordeelt G&O, [gedaagde sub 2] en Deutsche Bank in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat zij niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis hebben voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW Pro over de nakosten met ingang van de vijftiende dag na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,
3.8.
veroordeelt G&O, [gedaagde sub 2] en Deutsche Bank tot betaling aan Quadrato van € 1.300,75,
3.9.
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 3.4 tot en met 3.8 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,
3.10.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.D.A. den Tonkelaar en in het openbaar uitgesproken op 29 oktober 2014.