Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
1.De procedure
- de dagvaarding met producties
- de op voorhand toegezonden conclusie van antwoord met producties
- de mondelinge behandeling
- de pleitnota van [eiser].
2.De feiten
3.Het geschil
4.De beoordeling
816,00
Rechtbank Gelderland
De zaak betreft een leerling die de opleiding Sport en bewegingscoördinator volgt bij ROC Rijn en IJssel en verdacht wordt van ontuchtige handelingen met minderjarigen tijdens stages. De onderwijsinstelling heeft de leerling geschorst en weigert hem toe te laten tot het afleggen van de proeve van bekwaamheid zolang de strafzaak niet is afgerond.
De rechtbank stelt vast dat het niet tot de taak of bevoegdheid van een onderwijsinstelling behoort om deelname aan een examen te verhinderen op basis van een verdenking. De onderwijsinstelling heeft onvoldoende concrete onderbouwing gegeven dat de leerling niet aan de exameneisen kan voldoen vanwege de verdenking. Ook de op grond van de algemene voorwaarden ingeroepen bevoegdheid tot verwijdering wegens ernstig wangedrag wordt niet aanvaard zonder concrete feiten en bewijs.
De rechtbank overweegt dat praktische maatregelen mogelijk zijn om risico's tijdens de proeve te beperken, zoals toezicht, maar dat dit de toelating niet mag verhinderen. Het belang van de leerling om de opleiding af te ronden en door te stromen naar het HBO weegt zwaarder dan de onzekerheid van de verdenking. De vordering tot toelating wordt toegewezen, de gevorderde schadevergoeding afgewezen en Rijn en IJssel wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: ROC Rijn en IJssel moet de leerling toelaten tot het afleggen van de proeve van bekwaamheid ondanks de strafrechtelijke verdenking.