ECLI:NL:RBGEL:2014:7781

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
16 december 2014
Publicatiedatum
16 december 2014
Zaaknummer
05/821051-13
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 22c SrArt. 22d SrArt. 27 SrArt. 36f SrArt. 141 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Werkstraf voor openlijk geweld in centrum Nijmegen met letsel bij slachtoffers

Op 10 mei 2013 pleegde de verdachte samen met zijn vader en broer openlijk geweld tegen twee willekeurige personen in het centrum van Nijmegen, onder meer in twee cafés en op de openbare weg. De slachtoffers liepen aanzienlijk letsel op aan hoofd en gezicht.

Tijdens de terechtzitting op 2 december 2014 werd het bewijs besproken, waaronder verklaringen van slachtoffers en getuigen, en het verhoor van verdachte en medeverdachten. De rechtbank achtte wettig en overtuigend bewezen dat verdachte een wezenlijke bijdrage leverde aan het geweld, maar zijn aandeel was aanzienlijk kleiner dan dat van zijn medeverdachten.

De rechtbank hield rekening met het feit dat verdachte niet eerder was veroordeeld en dat hij zijn excuses had aangeboden. Daarom werd een werkstraf van 140 uur opgelegd, conform de eis van de officier van justitie. Daarnaast werd een schadevergoeding van €2.021,50 toegekend aan een van de slachtoffers, deels voor materiële schade en deels voor immateriële schade, met een rentevergoeding vanaf de datum van het incident.

De werkstraf moet binnen een jaar na onherroepelijkheid van het vonnis worden voltooid, met vervangende hechtenis van 70 dagen bij niet-naleving. De tijd in voorlopige hechtenis wordt in mindering gebracht. De overige civiele vorderingen van het slachtoffer werden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 140 uur werkstraf en gedeeltelijke schadevergoeding voor openlijk geweld met letsel.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer : 05/821051-13
Datum zitting : 2 december 2014
Datum uitspraak : 16 december 2014
TEGENSPRAAK
Vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van
de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland
tegen
naam :
[verdachte]
geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats]
adres : [adres]
plaats : [woonplaats]
raadsman : mr. P.P.F. Tummers, advocaat te Nijmegen.
officier van justitie : mr. M.J.M. Verhoeven.
1. De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1. primair
hij op of omstreeks 10 mei 2013 in de gemeente Nijmegen, met een ander of anderen, op (een) voor het publiek toegankelijke plaats(en) en/of op of aan de openbare weg(en), openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen nagenoemd(e) perso(o)n(en), en wel:
- in het [café 1], gelegen aan het Wintersoord aldaar en/of op het Wintersoord, tegen een persoon genaamd [slachtoffer 1], welk geweld bestond uit het opzettelijk gewelddadig aanvallen van en/of indringen op die [slachtoffer 1] en/of het slaan en/of stompen in/tegen het gezicht en/of op/tegen het hoofd van die [slachtoffer 1] en/of het slaan/en/of stompen in/tegen het gezicht en/of op/tegen het hoofd van die op de grond liggende [slachtoffer 1], en/of
- in het [café 2], gelegen aan de Grotestraat aldaar en/of op de Grotestraat, tegen een persoon genaamd [slachtoffer 2], welk geweld bestond uit het opzettelijk gewelddadig aanvallen van en/of indringen op en/of het slaan en/of
stompen in/tegen het gezicht en/of op/tegen het hoofd van die [slachtoffer 2];
art 141 Wetboek Pro van strafrecht
althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:
hij op of omstreeks 10 mei 2013 in de gemeente Nijmegen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk mishandelend een of meer perso(o)n(en), te weten:
- een persoon genaamd [slachtoffer 1], opzettelijk in/tegen het gezicht en/of op/tegen het hoofd heeft geslagen en/of gestompt en/of die op de grond liggende [slachtoffer 1] het in/tegen het gezicht en/of op/tegen het hoofd heeft geslagen of gestompt en/of
- een persoon genaamd [slachtoffer 2] opzettelijk in/tegen het gezicht en/of op/tegen het hoofd heeft geslagen en/of gestompt, waardoor deze(n) letsel heeft/hebben bekomen en/of pijn heeft/hebben ondervonden:
art 300 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht
art 47 lid 1 ahf Pro/sub 1 Wetboek van Strafrecht.

2.Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 2 december 2014 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. P.P.F. Tummers, advocaat te Nijmegen.
De officier van justitie, mr. M.J.M. Verhoeven, heeft gerekwireerd.
Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3.De beslissing inzake het bewijs

Ten aanzien van het primair ten laste gelegde
[café 1]
Op grond van de verklaring van aangever [slachtoffer 1], zowel bij de politie als bij de rechter-commissaris, de verklaringen van getuige [getuige 1] en getuige [getuige 2], zowel bij de politie als bij de rechter-commissaris, het proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot het gesprek met [medeverdachte 1] ter plaatse en de verklaring van verdachte, acht de rechtbank bewezen dat verdachte samen met de medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] (respectievelijk verdachtes vader en broer) een significante en wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het geweld tegen [slachtoffer 1] zowel in het [café 1] als op het Wintersoord (buiten het [café 1]).
[café 2]
Op grond van de verklaringen van aangever [slachtoffer 2] en getuige [getuige 1], zowel bij de politie als bij de rechter-commissaris, het proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot het gesprek met [medeverdachte 1], het verhoor ter plaatse van (onder anderen) getuige [getuige 3] en de verklaring van verdachte, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte een significante en wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het geweld tegen [slachtoffer 2], zowel in [café 2] als buiten op de Grotestraat (buiten [café 2]).
ConclusieDe rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het
primairtenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:
hij op 10 mei 2013 in de gemeente Nijmegen, met anderen, op voor het publiek toegankelijke plaatsen en op openbare wegen, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen nagenoemde personen, en wel:
- in het [slachtoffer 1], gelegen aan het Wintersoord aldaar en
/of op het Wintersoord, tegen een persoon genaamd [slachtoffer 1], welk geweld bestond uit het opzettelijk gewelddadig aanvallen van en indringen op die [slachtoffer 1] en het slaan en/of stompen in/tegen het gezicht en/of op/tegen het hoofd van die [slachtoffer 1] en/of het slaan/en/of stompen in/tegen het gezicht en
- in het [café 2], gelegen aan de Grotestraat aldaar, en/of op de Grotestraat, tegen een persoon genaamd [slachtoffer 2], welk geweld bestond uit het opzettelijk gewelddadig aanvallen van en indringen op en/of het slaan en/of stompen in/tegen het gezicht en/of op/tegen het hoofd van die [slachtoffer 2].
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en
omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.
De bewijsmiddelen zullen worden uitgewerkt in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist en zullen dan in een aan dit vonnis te hechten bijlage worden opgenomen.

4.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
Ten aanzien van het primair tenlastegelegde:
“Het openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, meermalen gepleegd”
Het feit is strafbaar.

5.De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten. Verdachte is dus strafbaar.

6.De motivering van de sanctie(s)

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:
- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;
- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:
 het uittreksel uit het algemeen documentatieregister betreffende verdachte, gedateerd 28 oktober 2014; en
 een voorlichtingsrapportage van Reclassering Nederland, d.d. 20 augustus 2014, betreffende verdachte.
De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan openlijk geweld tegen twee personen. Verdachte was samen met zijn vader en broer in het centrum van Nijmegen. Beide slachtoffers hebben door het gepleegde geweld aanzienlijk letsel opgelopen aan hun hoofd en gezicht. De verdachten hebben zonder enige aanleiding de confrontatie met de slachtoffers opgezocht.
Dergelijke feiten veroorzaken niet alleen gevoelens van angst en onveiligheid bij de slachtoffers maar ook binnen de samenleving in het algemeen.
Uit de justitiële documentatie blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een soortgelijk feit.
De rechtbank is gelet op deze documentatie, het verhoudingsgewijs, in vergelijking met zijn mededaders, geringe aandeel van verdachte in het geweld tegen de slachtoffers en het feit dat verdachte zijn excuses heeft aangeboden, van oordeel dat een werkstraf, zoals geëist door de officier van justitie, passend en geboden is.
6A. De beoordeling van de civiele vordering, alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van bewezenverklaarde feit. Gevorderd wordt een bedrag van € 2.381,50.
De rechtbank zal de civiele vordering van [slachtoffer 1] tot een bedrag van € 21,50 aan materiële schade toewijzen, bestaande uit de gevorderde reiskosten, waarbij de omvang van de schade door de rechtbank op basis van de overgelegde stukken op dat bedrag is begroot.
De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in het overige deel van de vordering ter zake van vergoeding van materiële schade, te weten € 360,- aan gevorderde kosten van eigen risico van de zorgverzekering, omdat dit deel van de vordering onvoldoende met stukken is onderbouwd. Niet duidelijk is immers of het eigen risico is aangesproken in verband met het onderhavige letsel dan wel reeds eerder, in verband met een ander medisch consult, was aangesproken. Een nadere beoordeling van deze schadeposten zou een onevenredige belasting van het strafgeding meebrengen, zodat de benadeelde partij in zoverre niet-ontvankelijk zal worden verklaard.
Aan de benadeelde partij is door het bewezenverklaarde strafbare feit rechtstreeks nadeel toegebracht dat niet in vermogensschade bestaat. Dit is aan verdachte toe te rekenen. Aan de wettelijke vereisten, waaronder die genoemd in artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek, is voldaan. Naar maatstaven van billijkheid wordt deze schade begroot op het gevorderde bedrag van € 2.000,-.
De verdachte is niet meer tot vergoeding gehouden indien en voor zover het gevorderde door zijn mededaders is of wordt voldaan.
Ter meerdere zekerheid voor daadwerkelijke betaling aan de benadeelde partij, zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.
De gevorderde en toegewezen rente/vergoeding voor proceskosten, zijn daar niet bij inbegrepen.
De gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar vanaf 10 mei 2013.

7.De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 22c, 22d, 27, 36f en 141 van het Wetboek van Strafrecht.

8.De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:
Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4.
Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot
het verrichten van een werkstraf gedurende 140 (honderdveertig) uren.
Bepaalt dat deze werkstraf binnen 1 (één) jaar na het onherroepelijk worden van dit vonnis moet worden voltooid.
De termijn binnen welke de werkstraf moet worden verricht, wordt verlengd met de tijd dat de veroordeelde rechtens zijn vrijheid is ontnomen alsmede met de tijd dat hij ongeoorloofd afwezig is.
Beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast.
Stelt deze vervangende hechtenis vast op
70 (zeventig) dagen.
Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van Pro het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht geheel in mindering wordt gebracht, te weten
2 (twee) uren, zijnde 1 (één) dag hechtenis.
De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1].
Wijst de vordering van de benadeelde partij ten dele toe.
- Veroordeelt de veroordeelde - met dien verstande dat indien en voor zover [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] betalen ook veroordeelde daardoor tegenover [slachtoffer 1] zal zijn gekweten - tegen kwijting aan
[slachtoffer 1], te betalen
€ 2.021,50(tweeduizendéénentwintig euro en vijftig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 mei 2013.
  • Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.
  • Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.
Maatregel van schadevergoeding
  • Legt op aan veroordeelde - met dien verstande dat indien en voor zover [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] betalen ook veroordeelde daardoor tegenover [slachtoffer 1] zal zijn gekweten - tegen kwijting aan
  • Bepaalt daarbij dat voldoening aan de ene betalingsverplichting de andere betalingsverplichting doet vervallen.
Aldus gewezen door:
mr. S.H. Keijzer (voorzitter), mr. F.J.H. Hovens en mr. K.A.M. van Hoof, rechters,
in tegenwoordigheid van L.J.M. Visser, griffier
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op
16 december 2014.