ECLI:NL:RBGEL:2015:2210

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
18 maart 2015
Publicatiedatum
2 april 2015
Zaaknummer
267240
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • F.M.Th. Quaadvliet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 42 FwArt. 43 FwArt. 47 FwArt. 2:245 BW
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vorderingen curator wegens falen bewijs faillissementspauliana en onbehoorlijk bestuur

De curator van het faillissement van Stevozu B.V. vorderde onder meer op grond van faillissementspauliana en onbehoorlijk bestuur tegen Afbouwgroep Gelderland B.V. en een natuurlijke persoon. De curator baseerde zich primair op de managementovereenkomst waarvan de datum van totstandkoming centraal stond.

In een tussenvonnis werd vastgesteld dat de managementovereenkomst op 27 mei 2008 tot stand is gekomen, niet op of omstreeks 18 januari 2010 zoals de curator betoogde. De curator zag af van het leveren van tegenbewijs, waardoor het bewijsvermoeden van artikel 43 lid 1 sub Pro 5 Faillissementswet niet van toepassing was. Tevens beriep de curator zich niet op artikel 42 Faillissementswet Pro, waardoor de vorderingen op grond van faillissementspauliana werden afgewezen.

Daarnaast stelde de curator dat de gedaagden als middellijk bestuurders onbehoorlijk hadden gehandeld en onrechtmatig waren jegens de schuldeisers. De rechtbank stelde vast dat niet was komen vast te staan dat de gedaagden wisten of behoorden te weten dat zij de schuldeisers benadeelden. Er was geen ernstig persoonlijk verwijt en het handelen was niet onredelijk in de gegeven omstandigheden.

De rechtbank verwierp ook eerdere beroepen van de curator op artikel 47 Faillissementswet Pro en artikel 2:245 BW Pro. De vorderingen werden afgewezen en de curator werd veroordeeld in de proceskosten ten gunste van de gedaagden, begroot op €3.680. Het vonnis werd gewezen door mr. F.M.Th. Quaadvliet en op 18 maart 2015 openbaar uitgesproken.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen van de curator af wegens het ontbreken van bewijs en onbehoorlijk bestuur.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht
Zittingsplaats Arnhem
zaaknummer / rolnummer: C/05/267240 / HA ZA 14-386 397/892
Vonnis van 18 maart 2015
in de zaak van
MR. CHRISTOPHER JOHN DIKS Q.Q.
in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van
STEVOZU B.V.,
gevestigd te Nijmegen,
eiser,
advocaat mr. B.M.H. van Bilsen te Nijmegen,
tegen
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AFBOUWGROEP GELDERLAND B.V.,
2.
[gedaagde],
gevestigd respectievelijk wonende te Doesburg,
gedaagden,
advocaat mr. A.A. Dooijeweerd te Zutphen.
Partijen zullen hierna de curator, Afbouwgroep Gelderland en [gedaagde] genoemd worden.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 21 januari 2015
- het bericht van de curator op de rol van 4 februari 2015 dat hij afziet van bewijslevering.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De verdere beoordeling

2.1.
In het tussenvonnis van 21 januari 2015 is ten aanzien van de primair door de curator gestelde grondslag voor zijn vorderingen overwogen dat de managementovereenkomst een onderhandse akte is die dwingend bewijs oplevert van onder meer de datering daarvan. De curator is toegelaten tegenbewijs te leveren tegen de in de managementovereenkomst vermelde datum van totstandkoming van 27 mei 2008.
Nu de curator heeft afgezien van het leveren van dat tegenbewijs geldt dat ervan uitgegaan moet worden dat de managementovereenkomst op 27 mei 2008 tot stand is gekomen en niet, zoals de curator heeft betoogd, op of omstreeks 18 januari 2010. Dat betekent dat de curator zich niet kan beroepen op het bewijsvermoeden van artikel 43 lid 1 sub Pro 5 van de Faillissementswet. Nu hij zich overigens niet op artikel 42 Fw Pro beroept (zie r.o. 4.6. van het tussenvonnis van 21 januari 2015) kan hetgeen de curator heeft aangevoerd niet leiden tot de conclusie er sprake is geweest van faillissementspauliana als bedoeld in de artikelen 42 en 43 Fw. De primaire gestelde grondslag kan daarom niet leiden tot toewijzing van het gevorderde.
2.2.
De curator heeft tevens aan zijn vorderingen ten grondslag gelegd dat [gedaagde] zijn taak als middellijk bestuurder onbehoorlijk heeft verricht, althans dat Afbouwgroep Gelderland en [gedaagde] onrechtmatig hebben gehandeld door als middellijk bestuurders van Stevozu mee te werken aan benadeling van schuldeisers in de door de curator geschetste omstandigheden. Het oordeel daarover is in het vonnis van 21 januari 2015 aangehouden tot na de (tegen-) bewijslevering. Nu niet is komen vast te staan dat Afbouwgroep Gelderland en [gedaagde] bij het sluiten van de managementovereenkomst wisten of behoorden te weten dat daarmee de schuldeisers van Stevozu zouden worden benadeeld, moet ook de stelling van de curator dat er sprake is geweest van onbehoorlijk bestuur dan wel van onrechtmatig handelen verworpen worden. Niet is komen vast te staan dat Afbouwgroep Gelderland en [gedaagde] als (middellijk) bestuurders van Stevozu een ernstig persoonlijk verwijt treft en dat zij hebben gehandeld zoals geen redelijk weldenkend bestuurder in een dergelijke situatie zou hebben gedaan. Ook deze door de curator gestelde grondslag kan daarom niet leiden tot toewijzing van de vorderingen.
2.3.
In het vonnis van 21 januari 2015 is al het beroep van de curator op het bepaalde in de artikelen 47 Fw en 2:245 van het Burgerlijk Wetboek (BW) verworpen, zodat de vorderingen van de curator thans voor afwijzing gereed liggen.
2.4.
De curator zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Afbouwgroep Gelderland en [gedaagde] worden begroot op:
- griffierecht € 1.892,00
- salaris advocaat
1.788,00(2 punten × tarief € 894,00)
Totaal € 3.680,00

3.De beslissing

De rechtbank
3.1.
wijst de vorderingen af,
3.2.
veroordeelt de curator in de proceskosten, aan de zijde van Afbouwgroep Gelderland en [gedaagde] tot op heden begroot op € 3.680,00,
3.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. F.M.Th. Quaadvliet en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2015.
ap/fq