ECLI:NL:RBGEL:2015:2619
Rechtbank Gelderland
- Wraking
- P.J. Wiegman
- F.M.Th. Quaadvliet
- N.K. van den Dungen-Dijkstra
- Rechtspraak.nl
Afwijzing wrakingsverzoek tegen rechters wegens vermeende vooringenomenheid
Verzoeker heeft een wrakingsverzoek ingediend tegen drie rechters die betrokken zijn bij zijn strafzaak. Hij stelde dat de rechters vooringenomen zijn omdat zij in een zaak tegen een medeverdachte een negatief besluit namen over een verzoek tot opheffing van voorlopige hechtenis, een verzoek dat hij in zijn zaak eveneens wilde doen. Verzoeker meende dat de feiten in beide zaken identiek waren en dat de rechters daarom voorgenomen waren in zijn zaak.
De wrakingskamer heeft het verzoek beoordeeld aan de hand van jurisprudentie van de Hoge Raad en de artikelen 512 en 513 van het Wetboek van Strafvordering. Daarbij geldt het uitgangspunt dat rechters worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij er zwaarwegende aanwijzingen zijn voor vooringenomenheid. De wrakingskamer constateerde dat in de strafzaak van verzoeker nog geen inhoudelijke behandeling had plaatsgevonden; de zitting was een pro forma zitting. Tevens was niet gesteld of gebleken dat de beslissing in de zaak van de medeverdachte evident onjuist was.
Op grond hiervan oordeelde de wrakingskamer dat er geen sprake was van vooringenomenheid of een objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor. Het wrakingsverzoek werd daarom afgewezen. De beschikking werd op 13 april 2015 gegeven door de wrakingskamer van de Rechtbank Gelderland, locatie Arnhem. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechters wordt afgewezen wegens gebrek aan concrete aanwijzingen voor vooringenomenheid.