De ondernemer exploiteerde een metaalbewerkingsbedrijf op een perceel met agrarische bestemming, waar hij in strijd met de bouwvergunning een loods had uitgebreid. De gemeente legde een bouwstop op en dwangsommen op wegens strijdig gebruik. Na diverse procedures en onderhandelingen sloten partijen een bankgarantieovereenkomst waarin de ondernemer zich verbond zijn bedrijf uiterlijk 1 november 2012 te verplaatsen naar een legale locatie, met een bankgarantie van € 100.000 als zekerheid.
De ondernemer vorderde betaling van deze bankgarantie terug, stellende dat de overeenkomst het publiekrecht op ontoelaatbare wijze doorkruist en dat de gemeente haar inspanningsverplichting niet was nagekomen. De rechtbank oordeelde dat de privaatrechtelijke regeling niet onaanvaardbaar het publiekrecht doorkruist, omdat de gemeente via publiekrechtelijke middelen niet hetzelfde resultaat kon bereiken en beide partijen hun belangen dienden.
Verder stelde de rechtbank vast dat de bankgarantie terecht werd ingeroepen en dat de ondernemer onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de datum van 1 november 2012 geen fatale datum was. Ook was er geen sprake van tekortkoming door de gemeente in haar inspanningsverplichting. De vorderingen van de ondernemer werden daarom afgewezen en hij werd veroordeeld in de proceskosten.