Eiseres ontving op 2 januari 2008 een bouwvergunning voor 10 vrijstaande woningen, die in 2010 onherroepelijk werd. Na inwerkingtreding van de Wabo is deze vergunning gelijkgesteld aan een omgevingsvergunning. Verweerder trok de vergunning gedeeltelijk in omdat niet binnen 26 weken na onherroepelijkheid met bouwen was begonnen.
Eiseres stelde dat gedeeltelijke intrekking niet mogelijk was en dat de bouw was aangevangen door bouwrijp maken en slaan van piketpaaltjes. De rechtbank oordeelde dat de woningen als zelfstandige onderdelen gelden en dat het enkele bouwrijp maken onvoldoende is om te spreken van aanvang van bouwen.
Verweerder motiveerde de intrekking met demografische ontwikkelingen en het voorkomen van leegstand. De rechtbank vond dat verweerder in redelijkheid tot intrekking kon besluiten en voldoende rekening hield met financiële belangen van eiseres. Ook de ruimtelijke belangen werden afdoende meegewogen.
Het beroep werd ongegrond verklaard. De rechtbank wees erop dat de intrekking een bevoegdheid is en dat terughoudendheid van de rechter geldt. De financiële risico's van niet-bouwen zijn voor rekening van eiseres, en de hardheidsclausule is niet van toepassing.
Tenslotte is vermeld dat tegen deze uitspraak hoger beroep mogelijk is bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.