Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ede verleende een omgevingsvergunning aan een derde-partij voor de bouw van 3 appartementen en 6 maisonnettes, waarbij onder meer werd afgeweken van het bestemmingsplan door overschrijding van de bouwhoogte, bouwen buiten het bouwvlak en het niet respecteren van minimale afstand tot de zijerfgrens.
Verzoekster maakte bezwaar tegen de vergunning, met name over de situering van de voorgevel in strijd met de planregels en het onvoldoende betrekken van haar belangen bij de afwijkingen. De voorzieningenrechter oordeelde dat er twijfel bestaat over welke gevel als voorgevel moet worden aangemerkt, wat bepalend is voor de toepassing van de bouwregels.
Hoewel verweerder ten onrechte uitging van een andere voorgevel dan de rechter voorlopig aannam, was de voorgevel wel gelegen in de voorgevelrooilijn. Wel is de afstand tot de perceelgrens met verzoekster onvoldoende, wat een afwijking van het bestemmingsplan vereist waarbij haar belangen betrokken hadden moeten worden.
Gezien deze onzekerheden en het belang van verzoekster bij het tegenhouden van de bouw, werd het bestreden besluit geschorst totdat in de bodemzaak definitief uitspraak wordt gedaan. Verzoekster werd tevens in haar proceskosten en griffierecht tegemoetgekomen.