ECLI:NL:RBGEL:2015:5193

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
6 augustus 2015
Publicatiedatum
6 augustus 2015
Zaaknummer
AWB - 15 _ 4115
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13b OpiumwetArt. 1 Beleidsregels toepassing artikel 13b OpiumwetArt. 5:31 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen sluiting café wegens aantreffen handelsvoorraad drugs

De burgemeester van Arnhem besloot tot sluiting van het café [bedrijf] voor de duur van 12 maanden vanwege de vondst van 25 wikkels cocaïne, een handelsvoorraad harddrugs, tijdens een politiecontrole in de nacht van 11 op 12 juli 2015. De eigenaar van het café, verzoeker, maakte bezwaar tegen dit besluit en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter overwoog dat op grond van artikel 13b van de Opiumwet de burgemeester bevoegd is tot bestuursdwang bij aanwezigheid van harddrugs in een lokaal. De wet vereist niet dat de eigenaar of het personeel zelf drugs verkoopt of verstrekt; het feit dat dit in het lokaal plaatsvindt, maakt de eigenaar in beginsel verantwoordelijk. Verwijtbaarheid speelt geen rol bij deze reparatoire maatregel.

Verzoeker betwistte de verklaringen in het politierapport en stelde dat het een vooropgezette actie tegen hem betrof, maar kon dit niet onderbouwen. De rechter achtte de hoeveelheid aangetroffen cocaïne dusdanig ernstig dat een waarschuwing achterwege kon blijven en onmiddellijke sluiting gerechtvaardigd was. Het verzoek om voorlopige voorziening werd daarom afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de sluiting van het café wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 15/4115

uitspraak van de voorzieningenrechter van

op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker], verzoeker

(gemachtigde: mr. B.J. Schadd),
en

de burgemeester van de gemeente Arnhem te Arnhem, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 12 juli 2015, verzonden op 16 juli 2015, (het primaire besluit) heeft verweerder besloten tot sluiting van de horeca-inrichting [bedrijf] gelegen aan [adres], voor de duur van 12 maanden, ingaande op 12 juli 2015.
Verzoeker heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 augustus 2015. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. M.M.M. Kapteijns en A. Stroink.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
2. Ingevolge artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet is de burgemeester is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in woningen of lokalen dan wel in of op bij woningen of zodanige lokalen behorende erven een middel als bedoeld in lijst I of II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.
3. Ingevolge artikel 1, eerste lid van de Beleidsregels inzake de toepassing van artikel 13b Opiumwet ten aanzien van voor het publiek toegankelijke lokalen, anders dan toegestane coffeeshops (hierna: Beleidsregels) geeft de burgemeester in het geval in een voor het publiek toegankelijk lokaal of een daarbij behorend erf – anders dan een toegestane coffeeshop – een middel als bedoeld in lijst I (harddrugs) van de Opiumwet wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is, een waarschuwing inhoudende dat tot sluiting zal worden overgegaan, indien binnen een jaar na de waarschuwing opnieuw wordt geconstateerd dat aldaar een dergelijk verboden middel wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is. Wordt vervolgens binnen de periode van een jaar een nieuwe overtreding geconstateerd, dan neemt de burgemeester een besluit tot sluiting van het desbetreffende lokaal.
Ingevolge het tweede lid geeft de burgemeester in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, geen waarschuwing en neemt hij direct een besluit tot sluiting van het desbetreffende lokaal, indien de omstandigheden van het geval naar zijn oordeel dusdanig ernstig zijn dat onverwijld tot sluiting moet worden overgegaan. Bij dit oordeel kan onder andere de hoeveelheid van de aangetroffen verboden middelen van doorslaggevende betekenis worden geacht
4. Ingevolge artikel 5:31, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan terstond bestuursdwang worden toegepast indien de situatie zo spoedeisend is, dat een besluit niet kan worden afgewacht, maar wordt zo spoedig mogelijk nadien alsnog een besluit als bedoeld in het eerste lid bekendgemaakt.
5. Verweerder is tot het bestreden besluit gekomen omdat er in de nacht van zaterdag 11 juli op zondag 12 juli 2015 een politieoptreden heeft plaatsgevonden in [bedrijf] en de eerste resultaten uitwijzen dat er op personen en in de zaak 25 wikkels cocaïne/harddrugs (handelshoeveelheid) zijn gevonden. Ten tijde van het bestreden besluit vond nader onderzoek naar de gang van zaken in de door eiser geëxploiteerde horeca-inrichting plaats. Echter, verweerder vindt de door de politie geconstateerde feiten dusdanig ernstig dat verweerder heeft besloten direct spoedeisende bestuursdwang toe te passen als bedoeld in artikel 5:31, tweede lid, van de Awb, zoals ter zitting is toegelicht. Verweerder acht het in dit verband onverantwoordelijk dat de horeca-inrichting [bedrijf] nog langer wordt geëxploiteerd. Dit zou namelijk het gevolg kunnen hebben dat de hiervoor genoemde wettelijke overtredingen blijven voortduren.
6. Uit de bestuurlijke rapportage van de politie Oost-Nederland van 21 juli 2015 valt op te maken dat tijdens de controle op 12 juli 2015 bezit van harddrugs en softdrugs bij klanten is geconstateerd. In het café zijn 25 wikkels met cocaïne aangetroffen, waarbij 23 wikkels zijn aangetroffen in twee gripzakjes. De vermoedelijk vaste dealer van [bedrijf] is in de inrichting aangehouden. Daarnaast was een tweede persoon in het bezit van een handelsvoorraad harddrugs. Diverse personen hebben verklaard bij de vermoedelijke dealer cocaïne te hebben gekocht in [bedrijf].
7. Voor zover verzoeker betoogt dat hem niets te verwijten valt, omdat hij zich op geen enkele wijze schuldig heeft gemaakt aan drugshandel of het bevorderen daarvan, stelt de voorzieningenrechter vast dat de wet niet vereist dat de verkoop, aflevering of verstrekking van de drugs door de eigenaar of het personeel van het betreffende lokaal plaatsvindt. Voldoende is dat het in het lokaal plaatsvindt. Verzoeker is derhalve in beginsel verantwoordelijk te houden voor alles wat er in het café gebeurd. Bovendien speelt verwijtbaarheid bij de rechthebbende op het voor het publiek toegankelijke lokaal volgens vaste jurisprudentie geen rol speelt, nu het besluit niet ziet op een boete, maar op een reparatoire maatregel en verwijtbaarheid in dat geval niet hoeft te worden aangetoond.
8. Ter zitting heeft verzoeker de verklaringen in het politierapport over de betrokkenheid van zijn café bij drugshandel betwist en heeft verzoeker gesteld dat het lijkt op een vooropgezette actie jegens hem. Nu verzoeker niet heeft onderbouwd dat de verklaringen van meerdere verdachten niet kloppen dan wel dat er sprake is van een vooropgezette actie, slaagt het betoog van verzoeker niet.
9. Dat verzoeker financieel ernstig wordt getroffen is naar dezerzijds voorlopig oordeel inherent aan het toepassen van de sluitingsbevoegdheid en in vaste jurisprudentie niet als beletsel aangemerkt om deze bevoegdheid uit te oefenen.
10 De voorzieningenrechter is gelet op het voorgaande van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de hoeveelheid cocaïne die is aangetroffen zo groot was dat kan worden gesproken van een dusdanig ernstig feit dat een waarschuwing achterwege kon worden gelaten en direct tot sluiting van het café kon worden overgegaan.
11. Nu de aangevoerde gronden niet kunnen slagen zal het verzoek om voorlopige voorziening worden afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Penning, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. N.J.H. Klomp, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:
griffier
voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.