ECLI:NL:RBGEL:2015:6056

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
25 september 2015
Publicatiedatum
25 september 2015
Zaaknummer
AWB - 15 _ 5552
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 8:85 AwbArt. 4:104 AwbArt. 4:111 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging verjaringstermijn door uitstel van betaling in bestuursrechtelijke dwangsominvordering

In deze bestuursrechtelijke zaak hebben verzoekers bezwaar gemaakt tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zaltbommel om niet over te gaan tot invordering van dwangsommen die volgens verzoekers sinds 14 oktober 2014 zijn verbeurd. Verzoekers vreesden dat de bevoegdheid tot invordering zou verjaren op 14 oktober 2015, waardoor de bodemzaak zinledig zou worden.

De voorzieningenrechter overwoog dat op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de verjaringstermijn van de bevoegdheid tot invordering van een dwangsom een jaar bedraagt na de dag waarop de dwangsom is verbeurd. Tevens is bepaald dat deze termijn kan worden verlengd met de periode waarin uitstel van betaling is verleend.

Omdat verzoekers tijdig uitstel van betaling hadden gevraagd en verweerder hier niet op had gereageerd, achtte de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening kennelijk gegrond. De rechter verleende uitstel van betaling, waardoor de verjaringstermijn wordt verlengd tot de uitspraak in de bodemzaak.

Daarnaast werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van het door verzoekers betaalde griffierecht en de proceskosten van verzoekers vastgesteld op €490. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: De voorzieningenrechter verleent uitstel van betaling waardoor de verjaringstermijn wordt verlengd tot de uitspraak in de bodemzaak.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 15/5552
uitspraak van de voorzieningenrechter van
op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
[verzoekers], verzoekers
(gemachtigde: mr. B. Smit),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zaltbommel, verweerder.

1.Procesverloop

Bij besluit van 14 juli 2014 heeft verweerder aan een derde een last onder dwangsom opgelegd met een begunstigingstermijn van drie maanden. Als er na drie maanden niet aan de last is voldaan, verbeurt er € 500 gedurende elke week dat niet aan de last is voldaan, met een maximum van € 5000.
Verzoekers hebben op 13 oktober 2014 en 19 december 2014 brieven naar verweerder gestuurd met de mededeling dat er niet is voldaan aan de last en verweerder verzocht om actie te ondernemen.
Bij besluit van 15 januari 2015 heeft verweerder meegedeeld dat een controle is uitgevoerd en dat aan de last is voldaan.
Verzoekers hebben hiertegen bezwaar gemaakt. Bij besluit van 1 juli 2015 heeft verweerder dit bezwaar ongegrond verklaard. Daartegen hebben verzoekers beroep ingesteld dat bij de rechtbank is geregistreerd onder zaaknummer AWB 15/3812.
Bij brief van 28 augustus 2015 hebben verzoekers verweerder gevraagd de verjaringstermijn te stuiten dan wel te verlengen.
Bij brief van 11 september 2015 hebben verzoekers de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen om te voorkomen dat de bevoegdheid tot invordering zal zijn verjaard op het moment dat er in de bodemzaak uitspraak wordt gedaan.

2.Overwegingen

Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaande aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Ingevolge artikel 8:83, derde lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter, onder meer indien het verzoek om voorlopige voorziening kennelijk gegrond is, uitspraak doen zonder dat partijen worden uitgenodigd om ter zitting te verschijnen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter doet laatstbedoelde situatie zich in het onderhavige geval voor.
Ingevolge artikel 5:35 van Pro de Awb verjaart, in afwijking van artikel 4:104, de bevoegdheid tot invordering van een verbeurde dwangsom door verloop van een jaar na de dag waarop zij is verbeurd.
Op voet van artikel 5:37, tweede lid, van de Awb, geeft het bestuursorgaan een beschikking omtrent de invordering van de dwangsom, indien een belanghebbende daarom verzoekt.
Ingevolge artikel 4:111, eerste lid, van de Awb wordt de verjaringstermijn van de rechtsvordering tot betaling aan een bestuursorgaan verlengd met de tijd gedurende welke de schuldenaar na de aanvang van die termijn uitstel van betaling heeft.
De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoekers beroep hebben ingesteld tegen het door verweerder in bezwaar gehandhaafde besluit om niet over te gaan tot het invorderen van dwangsommen. Omdat verzoekers van oordeel zijn dat de dwangsommen vanaf 14 oktober 2014 zijn verbeurd, stellen zij dat de bevoegdheid tot invordering van deze dwangsommen op 14 oktober 2015 verjaart. Als de rechtbank in de bodemzaak verzoekers hierin volgt en tot het oordeel komt dat dwangsommen vanaf 14 oktober 2014 over een periode van tien weken zijn verbeurd, is de verjaringstermijn van een jaar ten tijde van de uitspraak zeer waarschijnlijk verstreken en heeft verweerder geen bevoegdheid meer een invorderingsbesluit te nemen en eventueel executiemaatregelen ter zake te treffen. De bodemzaak wordt dan zinledig. Daarom acht de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening kennelijk gegrond. De voorzieningenrechter zal als voorziening de verjaringstermijn verlengen, zodat, indien in de bodemzaak tot het oordeel wordt gekomen dat dwangsommen zijn verbeurd die moeten worden ingevorderd, verweerder alsdan nog de bevoegdheid heeft een invorderingsbesluit te nemen alsmede de mogelijkheid heeft zo nodig executiemaatregelen ter zake te treffen.
De voorzieningenrechter zal daarom uitstel van betaling verlenen. Op de voet van artikel 4:111, eerste lid, van de Awb wordt de verjaringstermijn op deze wijze verlengd met de periode van uitstel van betaling. De uitstel van betaling geldt, gelet op artikel 8:85, tweede lid, aanhef en onder c, van de Awb, tot de rechter in de bodemzaak uitspraak heeft gedaan.
Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoekers het door hen betaalde griffierecht vergoedt.
De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoekers gemaakte proceskosten. Verzoekers hebben verweerder bij brief van 28 augustus 2015 immers reeds verzocht uitstel van betaling te verlenen maar verweerder heeft daar tot op heden niet op gereageerd, althans een dergelijke reactie is niet bij de voorzieningenrechter bekend. De kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 490 (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 490,- en een wegingsfactor 1).
Beslist wordt als volgt.

3.Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • verleent uitstel van betaling, zodat de verjaringstermijn in zaak AWB 15/3812 wordt verlengd, totdat de rechter in die zaak uitspraak heeft gedaan;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekers ten bedrage van
€ 490;
- gelast dat verweerder het door verzoekers betaalde griffierecht groot € 331 aan hen vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.W.P. van Gastel, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.G.J. Litjens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel:
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.