ECLI:NL:RBGEL:2015:7700
Rechtbank Gelderland
- Eerste aanleg - meervoudig
- I.A.M. van Boetzelaer-Gulyas
- J.M. Hamaker
- M.J.P. Heijmans
- Rechtspraak.nl
Beoordeling vaststelling dagloon en terugvordering WW-uitkering bij Duitse werkgever
Eiser was aanvankelijk in dienst bij een Nederlandse vennootschap, maar zijn loon werd vanaf april 2014 uitbetaald door een Duitse vennootschap die geen loonbelasting afdroeg over overwerk en toeslagen. Het dienstverband bij de Duitse vennootschap werd per 31 mei 2014 beëindigd. Eiser vroeg een WW-uitkering aan, waarbij het dagloon werd vastgesteld op €110,75, gebaseerd op het loon van de Duitse werkgever in de periode april-mei 2014.
Eiser betwistte de hoogte van het dagloon en stelde dat het dagloon op basis van het volledige refertejaar moest worden berekend, omdat hij volgens hem nog steeds in dienst was bij de Nederlandse vennootschap. Tevens stelde hij dat overwerk en toeslagen meegeteld moesten worden. Verweerder handhaafde de vaststelling van het dagloon zoals berekend op basis van het SV-loon van de Duitse werkgever.
De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht uitging van de gegevens in het Suwinet en de door de Duitse instantie verstrekte formulieren, waaruit bleek dat eiser vanaf 1 april 2014 tot en met 30 mei 2014 in dienst was van de Duitse vennootschap. Eiser had niet aannemelijk gemaakt dat hij nog in dienst was van de Nederlandse vennootschap. De vaststelling van het dagloon op €110,74 was dan ook juist, evenals de terugvordering van onverschuldigde voorschotten. Het beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en het dagloon is correct vastgesteld op €110,74.