ECLI:NL:RBGEL:2015:7925

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
22 december 2015
Publicatiedatum
18 december 2015
Zaaknummer
AWB - 14 _ 7971
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 Verordening langdurigheidstoeslag 2013 gemeente EdeArt. 6:22 Algemene wet bestuursrechtArt. 8:75 Algemene wet bestuursrechtArt. 36 Wet werk en bijstandArt. 8 Wet werk en bijstand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag langdurigheidstoeslag wegens overschrijding bijstandsnorm niet onredelijk

Eiseres diende op 2 februari 2012 en opnieuw op 11 juni 2014 een aanvraag in voor langdurigheidstoeslag bij de gemeente Ede. De aanvragen werden afgewezen omdat haar inkomen in de referteperiode van 60 maanden hoger was dan de geldende bijstandsnorm. Eiseres voerde aan dat haar inkomen onjuist was vastgesteld, dat er slechts sprake was van een zeer geringe overschrijding van de bijstandsnorm en dat het gelijkheidsbeginsel was geschonden.

De rechtbank stelde vast dat het inkomen van eiseres niet in geschil was, omdat verweerder ter zitting erkende dat de door eiseres berekende inkomensgegevens juist waren. Wel was sprake van een motiveringsgebrek in het eerdere besluit, maar dit werd gepasseerd omdat eiseres hierdoor niet in haar belangen was geschaad.

De rechtbank oordeelde dat een overschrijding van circa € 50,- bruto niet kan worden aangemerkt als een zeer geringe overschrijding binnen de betekenis van de gemeentelijke verordening. Ook faalde het beroep op schending van het gelijkheidsbeginsel omdat eiseres dit onvoldoende had onderbouwd.

Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. Wel werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht en de proceskosten van eiseres.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de langdurigheidstoeslag wordt ongegrond verklaard, met vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiseres.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: 14/7971

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. D.G.W. Radstaat),
en

het college van burgemeester en wethouders gemeente Ede te Ede, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 17 juni 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot verstrekking van langdurigheidstoeslag afgewezen.
Bij besluit van 16 oktober 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 november 2015. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Klok.

Overwegingen

1.1
De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.
1.2
Op 2 februari 2012 heeft eiseres een aanvraag ingediend voor langdurigheidstoeslag. Verweerder heeft die aanvraag bij besluit van 27 februari 2012 afgewezen. Eiseres is in bezwaar gegaan tegen dat besluit, welk bezwaar verweerder ongegrond heeft verklaard. Eiseres heeft daarin berust.
1.3
Op 11 juni 2014 heeft eiseres wederom een aanvraag ingediend voor langdurigheidstoeslag.
2. Verweerder heeft aan de afwijzing ten grondslag gelegd dat het inkomen van eiseres in de referteperiode van 60 maanden hoger was dan de voor haar geldende bijstandsnorm.
3. Eiseres stelt zich ten eerste op het standpunt dat verweerder haar inkomen niet juist heeft vastgesteld. Ten tweede stelt eiseres dat er slechts sprake is van een geringe overschrijding van de bijstandsnorm in de zin van artikel 3, tweede lid, van de Verordening langdurigheidstoeslag 2013 van de gemeente Ede (Verordening), waardoor zij wel recht heeft op langdurigheidstoeslag. Eiseres stelt tot slot dat er sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel. Verweerder heeft volgens eiseres niet aangetoond dat in de gevallen dat langdurigheidstoeslag is toegekend met toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Verordening, de overschrijding lager was dan die van eiseres.
4. De rechtbank stelt voorop dat, anders dan verweerder meent, bij het onherroepelijk worden van een besluit alleen de rechtsgevolgen komen vast te staan en niet de daaraan ten grondslag gelegde feiten. Dat betekent dat verweerder voor de inkomensgegevens tot 29 januari 2011 ten onrechte heeft verwezen naar de afwijzing in 2012 en niet inhoudelijk is ingegaan op het bezwaar van eiseres dat haar inkomen niet juist is vastgesteld. Dit betekent dat er sprake is van een motiveringsgebrek.
5. Ter zitting heeft verweerder erkend dat het inkomen zoals dat door eiseres is berekend, juist is. De rechtbank stelt vast dat het inkomen van eiseres dus niet in geschil is. De rechtbank ziet daarom aanleiding om het onder 4 vermelde motiveringsgebrek met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te passeren, aangezien eiseres daardoor niet in haar belangen is geschaad.
6. De rechtbank overweegt dat één van de voorwaarden om in aanmerking te kunnen komen voor langdurigheidstoeslag is, dat de aanvrager aannemelijk kan maken gedurende een periode van 60 maanden voorafgaand aan de peildatum (referteperiode) een inkomen te hebben genoten dat niet hoger is dan de toepasselijke bijstandsnorm (artikel 36, eerste lid, van de Wet werk en bijstand (WWB) in samenhang met artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, van de WWB en artikel 3, eerste lid, van de Verordening). Ook indien een netto uitkering leidt tot een zeer geringe overschrijding van de bijstandsnorm heeft een belanghebbende recht op langdurigheidstoeslag (artikel 3, tweede lid, van de Verordening). In de toelichting bij artikel 3 van Pro de Verordening staat vermeld dat een belanghebbende in aanmerking kan komen voor langdurigheidstoeslag als ten gevolge van een “iets andere” berekeningssystematiek en/of afrondingsverschillen er netto een geringe hogere uitkering wordt ontvangen.
7.1
De rechtbank stelt vast dat het inkomen van eiseres in de maanden september tot en met december 2010 € 51,91 en in de maand januari 2011 € 52,49 hoger was dan de voor haar geldende bijstandsnorm. De vraag is of deze inkomensoverschrijding, zoals eiseres stelt, een zeer geringe overschrijding van de bijstandsnorm is.
7.2
De rechtbank merkt op dat verweerder het begrip ‘zeer geringe overschrijding’, anders dan de opmerking afrondingsverschillen, niet nader heeft uitgewerkt in zijn beleid en dat hem voor de invulling van dat begrip enige beoordelingsvrijheid toekomt. Mede gelet op de toelichting bij artikel 3 van Pro de Verordening is de rechtbank van oordeel dat verweerder in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat een overschrijding van ruim € 50,- bruto van het inkomen van eiseres niet kan worden aangemerkt als een zeer geringe overschrijding van de bijstandsnorm. De beroepsgrond faalt.
8. De rechtbank is tot slot van oordeel dat er geen sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel. De rechtbank overweegt dat het aan eiseres is om aannemelijk te maken dat sprake is van een schending van het gelijkheidsbeginsel. Eiseres is daar niet in geslaagd. Enige onderbouwing van haar stelling ontbreekt. De beroepsgrond faalt.
9. Het beroep is ongegrond.
10. Wel bestaat aanleiding, gelet op het onder 4 geconstateerde motiveringsgebrek, te bepalen dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht aan haar vergoedt. De rechtbank acht verder termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb en verweerder te veroordelen in de door eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 980,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting; wegingsfactor 1 en een waarde per punt van € 490,-). Van andere kosten in dit verband is de rechtbank niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- gelast dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht groot € 45,- aan haar vergoedt;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 980,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J. Wasmann, rechter, in tegenwoordigheid van mr. B. de Vries, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.