ECLI:NL:RBGEL:2015:8356

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
7 november 2015
Publicatiedatum
7 maart 2017
Zaaknummer
C/05/309970/ KG RK 16-370
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36 RvArt. 37 Rv
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek tegen kantonrechters wegens gebrek aan vooringenomenheid

Verzoeker, gedaagde in een kantonzaak, diende een wrakingsverzoek in tegen twee kantonrechters wegens vermeende schending van een juridisch juist procesverloop en het niet beantwoorden van zijn vragen. Verzoeker stelde dat stukken niet waren ondertekend en dat hij zich niet gehoord voelde, wat zou duiden op vooringenomenheid.

De kantonrechters berusten niet in het wrakingsverzoek en verschenen niet bij de wrakingszitting. De wrakingskamer overwoog dat het ontbreken van handtekeningen onder verweerschriften niet leidt tot niet-ontvankelijkheid en dat de verweerschriften geldig zijn ingediend.

De wrakingskamer benadrukte het vermoeden van onpartijdigheid van rechters en oordeelde dat verzoeker onvoldoende concrete feiten had aangevoerd die een objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid rechtvaardigen. De processen-verbaal toonden dat de kantonrechters adequaat toezicht hielden op het proces en vragen van verzoeker niet onbeantwoord lieten.

De wrakingskamer concludeerde dat er geen uitzonderlijke omstandigheden zijn die wraking rechtvaardigen en wees het verzoek af. De beslissing werd openbaar uitgesproken op 7 november 2016 door de wrakingskamer van de rechtbank Gelderland.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de kantonrechters is afgewezen wegens het ontbreken van gegronde aanwijzingen voor vooringenomenheid.

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK GELDERLAND

Wrakingskamer
zaaknummer: C/05/309970/ KG RK 16-370
Beslissing van 7 november 2016 van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank Gelderland op het verzoek van:
[verzoeker]
wonende te [woonplaats], gemeente Berkelland,
verzoeker tot wraking,
tegen

1.mr. I.C.J.I.M. van Dorp,

en
2.
mr. M.C.J. Heessels,
beiden kantonrechters in deze rechtbank,
hierna gezamenlijk te noemen: de kantonrechters.

1.De procedure

1.1.
Verzoeker is gedaagde in een kantonzaak tussen hem en AnderZorg N.V. als eiseres (procedurenummer 5252373 CV EXPL 16-4495).
1.2.
Op 10 augustus 2016 en op 5 oktober 2016 hebben in de kantonzaak zittingen plaatsgevonden, bij gelegenheid waarvan verzoeker respectievelijk ten overstaan van mr. Heessels en mr. Van Dorp heeft verklaard voor antwoord en voor dupliek.
1.3.
Bij brief van 18 oktober 2016 heeft verzoeker een verzoek tot wraking ingediend tegen de kantonrechters.
1.4.
De kantonrechters hebben bij afzonderlijke e-mailberichten van 27 oktober 2016 en van 31 oktober 2016 verklaard niet te berusten in het tegen hun gerichte verzoek tot wraking en aangegeven dat zij niet ter zitting van de wrakingskamer zullen verschijnen.
1.5.
Het verzoek tot wraking van de kantonrechters is behandeld ter zitting van 7 november 2016. Daarbij is verzoeker verschenen. De kantonrechters zijn – zoals door hen aangekondigd – niet verschenen. Ter zitting, na afloop van de inhoudelijke behandeling, heeft de wrakingskamer mondeling uitspraak gedaan. Deze beslissing is daarvan de schriftelijke uitwerking.

2.Het wrakingsverzoek

2.2.
Verzoeker heeft – samengevat – aan zijn wrakingsverzoek ten grondslag gelegd dat de kantonrechters niet hebben toegezien op een juridisch juist procesverloop. Verzoeker wijst er in dit kader op dat stukken van rechtbank – brieven en de processen-verbaal – niet zijn ondertekend. Verzoeker stelt daarnaast dat de kantonrechters niet hebben geantwoord op vragen die hij stelde over de procesgang en evenmin op zijn vraag of zijn rechten door hen worden erkend. Doordat hij geen antwoord op zijn vragen heeft gekregen, mist hij een dialoog en voelt hij zich niet gehoord, aldus verzoeker. Verzoeker stelt dat de kantonrechters aldus onzorgvuldig en in strijd met zijn rechten en belangen hebben gehandeld, hetgeen duidt op vooringenomenheid van de kantonrechters. Ter zitting heeft verzoeker de wrakingskamer verzocht de verweerschriften van de kantonrechters buiten beschouwing te laten en/of de kantonrechters niet-ontvankelijk te verklaren in hun verweer omdat de verweerschriften niet zijn ondertekend.
2.3.
De kantonrechters hebben laten weten niet in de wraking te berusten.
Mr. Van Dorp heeft aangegeven dat het wrakingsverzoek haar geen aanleiding geeft tot reactie. Mr. Heessels heeft betwist dat hij onvoldoende heeft toegezien op een eerlijk procesverloop. Hij heeft eveneens betwist dat hij niet heeft geantwoord op vragen over de procesgang. Ten slotte heeft hij gesteld dat er voor het overige onvoldoende (specifieke) gronden zijn aangevoerd die zouden kunnen leiden tot de conclusie dat met betrekking tot zijn optreden als kantonrechter de rechtelijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

3.De beoordeling

3.1.
De wrakingskamer overweegt allereerst dat er geen verplichting is tot ondertekening van een verweerschrift. Dat een verweerschrift niet is ondertekend, is dan ook zonder gevolg. Nu er bovendien geen reden is om eraan te twijfelen dat de verweerschriften – die per e-mailbericht zijn verstuurd – door de betreffende kantonrechters zijn ingediend, ziet de wrakingskamer geen aanleiding om de verweerschriften buiten beschouwing te laten.
3.2.
Wraking van een rechter is slechts mogelijk op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan kan sprake zijn indien de rechter jegens een partij vooringenomen is of indien de vrees van een partij daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Bij de beoordeling daarvan moet voorop staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat bij die partij dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is (HR 24 oktober 1995 NJ 1996,484). Uit de artikelen 36 en 37 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en het vermoeden van onpartijdigheid volgt dat de verzoeker concrete feiten en omstandigheden moet aanvoeren waaruit objectief afgeleid moet worden dat de rechter jegens een partij vooringenomen is of de vrees van een partij dat dat zo is objectief gerechtvaardigd is. Met inachtneming hiervan overweegt de wrakingskamer het volgende.
3.3.
Gelet op de processen-verbaal is er geen aanleiding voor de conclusie dat de kantonrechters niet zijn ingegaan op vragen die verzoeker stelde of dat zij niet hebben toegezien op een juist procesverloop. De inhoud van die processen-verbaal leidt niet tot de conclusie dat op enigerlei wijze sprake is van vooringenomenheid van de kantonrechters of de schijn daarvan. De reactie op de vraag van verzoeker of de kantonrechters zijn rechten erkenden, welke vraag verzoeker ook aan de wrakingskamer heeft gesteld, doet daar niet aan af. Die vraag ziet namelijk, gezien de toelichting die verzoeker daarbij ter zitting van de wrakingskamer heeft gegeven, op de kern van verzoekers verweer in de onderliggende procedure, te weten het verweer dat hij niet gehouden kan worden premie te betalen. Op dat verweer volgt in de onderliggende procedure zelf een beslissing, te geven bij eindvonnis; zo ver is die procedure nog niet gevorderd.
3.4.
De wrakingskamer komt op grond van het voorgaande tot het oordeel dat geen sprake is geweest van uitzonderlijke omstandigheden als bedoeld in rechtsoverweging 3.2.
Het verzoek tot wraking van de kantonrechters zal dan ook worden afgewezen.

4.De beslissing

De rechtbank
wijst het verzoek tot wraking van de kantonrechters af.
Deze beschikking is gegeven door de mrs. M.C. van der Mei, voorzitter, L.J.P. Lambooij en E. de Boer, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier mr. J.M. van Oostveen-Out en in openbaar uitgesproken op 7 november 2016.
Griffier Voorzitter