ECLI:NL:RBGEL:2016:1808

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
16 maart 2016
Publicatiedatum
31 maart 2016
Zaaknummer
294949
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • N.W. Huijgen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:305a BWArt. 93 RvArt. 8 lid 4 WGBZ
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwijzing zaak naar kantonrechter inzake onrechtmatige arbeidsomstandigheden en voorlopige voorzieningen

In deze civiele procedure vordert de Federatie Nederlandse Vakbeweging (FNV) dat de werkgever, een besloten vennootschap, wordt veroordeeld tot het nemen van maatregelen ter verbetering van arbeidsomstandigheden die schadelijk kunnen zijn voor de gezondheid van werknemers. De vorderingen omvatten onder meer het omkasten van productielijnen, afsluiting van lakbakken, installatie van ventilatie en het beschikbaar stellen van beschermingsmiddelen.

FNV baseert haar vorderingen op artikel 3:305a BW en stelt dat de werkgever onvoldoende zorg heeft betracht om gezondheidsklachten te voorkomen. In het incident verzoekt FNV om voorlopige voorzieningen met dezelfde inhoud als de hoofdvorderingen.

De rechtbank oordeelt ambtshalve dat de zaak een aardzaak betreft die op grond van artikel 93 onder Pro c Rv door de kantonrechter moet worden behandeld, ongeacht de waarde of het beloop van de vordering. Daarom verwijst de rechtbank de zaak naar de kamer voor kantonzaken van dezelfde rechtbank. Partijen worden geïnformeerd over de procedurele gevolgen, waaronder het niet hoeven verschijnen op de rolzitting en het kunnen optreden zonder advocaat.

De beslissing omtrent de kosten van het incident wordt aangehouden totdat in de hoofdzaak wordt beslist. Het griffierecht wordt verlaagd en teveel betaald griffierecht zal worden terugbetaald.

Uitkomst: De rechtbank verwijst de zaak naar de kantonrechter wegens bevoegdheidsgronden en wijst partijen op procedurele aspecten.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht
Zittingsplaats Arnhem
zaaknummer / rolnummer: C/05/294949 / HA ZA 15-719 \ 172/97
Vonnis in incident van 16 maart 2016
in de zaak van
de vereniging
FEDERATIE NEDERLANDSE VAKBEWEGING (FNV),
gevestigd te Amsterdam,
eiseres in de hoofdzaak,
verweerster in het incident,
advocaat mr. W.A. van Veen te Utrecht,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde] B.V.,
gevestigd te Nijmegen,
gedaagde in de hoofdzaak,
eiseres in het incident,
advocaat mr. H. Lebbing te Rotterdam.
Partijen zullen hierna FNV en [gedaagde] genoemd worden.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding tevens houdende de incidentele vordering tot het treffen van voorlopige voorzieningen
  • de incidentele conclusie van antwoord.
1.2.
Daarna is vonnis bepaald in het incident.

2.Het geschil in de hoofdzaak en in het incident

2.1.
In de hoofdzaak heeft FNV, op basis van artikel 3:305a BW, gevorderd te verklaren voor recht dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld door haar werknemers bloot te stellen aan arbeidsomstandigheden die schadelijk kunnen zijn voor de gezondheid en aansprakelijk is voor de daarmee (juridisch) samenhangende schade.
Verder heeft FNV gevorderd [gedaagde] te veroordelen tot het treffen van de volgende maatregelen:
a. omkasting van de gehele kabelproductielijn in de lakhal, gereed binnen veertien dagen na datum vonnis;
b. afsluiting van alle lakbakken, gereed binnen zeven dagen na datum vonnis,
c. puntafzuiging bij de bakken met gevaarlijke stoffen en bij werkzaamheden als lassen en solderen, gereed binnen zeven dagen na datum vonnis,
d. installatie van mechanische ventilatie in de laktoren, gereed binnen veertien dagen na datum vonnis,
e. beschikbaar stellen van adequate persoonlijke beschermingsmiddelen voor de laktoren en de productielijn, gereed binnen zeven dagen na datum vonnis,
f. aanschaf van vervangende stoffen die minder schadelijk zijn voor de gezondheid, gereed binnen veertien dagen na datum vonnis,
al het voorgaande op straffe van verbeurte van een dwangsom.
2.2.
FNV heeft aan haar vorderingen ten grondslag gelegd, verkort weergegeven, dat [gedaagde] onrechtmatig jegens FNV en haar leden heeft gehandeld door haar werknemers bloot te stellen aan arbeidsomstandigheden die schadelijk kunnen zijn voor de gezondheid en door onvoldoende zorg te betrachten om het ontstaan van deze gezondheidsklachten te voorkomen. Reeds uit het feit dat [gedaagde] na de individuele aansprakelijkstelling door individuele werknemers en na het opstellen van het (hiervoor onder 2.10 bedoelde) plan van aanpak diverse maatregelen heeft genomen, blijkt volgens FNV dat door [gedaagde] vóór die tijd onvoldoende zorg werd betracht.
2.3.
In het incident heeft FNV voor de duur van het geding bij wijze van voorlopige voorziening dezelfde vorderingen ingesteld als hiervoor onder 3.1 onder a t/m f zijn weergegeven.
2.4.
[gedaagde] heeft de incidentele vorderingen gemotiveerd weersproken. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

3.De beoordeling

3.1.
Ambtshalve wordt het volgende overwogen.
3.2.
Naar het voorlopig oordeel van de rechtbank betreffen de (incidentele) vorderingen van FNV een onderwerp dat op grond van artikel 93 aanhef Pro en onder c Rv door de kantonrechter wordt behandeld, ongeacht het beloop of de waarde van de vordering. Daarom zal de zaak worden verwezen naar de kamer voor kantonzaken van deze rechtbank.
3.3.
De rechtbank zal de beslissing omtrent de kosten van het incident aanhouden, totdat in de hoofdzaak zal worden beslist.

3.De beslissing

De rechtbank
In de hoofdzaak en in het incident
3.1.
verwijst de zaak in de stand waarin deze zich bevindt naar de rolzitting van de kamer voor kantonzaken van deze rechtbank, locatie Nijmegen, op vrijdag 25 maart 2016,
3.2.
wijst partijen erop dat zij op de hiervoor vermelde rolzitting niet hoeven te verschijnen, omdat de kantonrechter op voornoemde datum eerst bij vonnis zal beslissen over de vorderingen in het incident en over de wijze waarop de procedure vervolgens zal worden voortgezet,
3.3.
wijst partijen erop dat zij in het vervolg van de procedure niet meer vertegenwoordigd hoeven te worden door een advocaat, maar ook persoonlijk of bij gemachtigde kunnen verschijnen,
3.4.
wijst partijen erop dat het in deze procedure geheven griffierecht ingevolge art. 8 lid 4 WGBZ Pro zal worden verlaagd en dat het teveel betaalde griffierecht door de griffier zal worden teruggestort.
Dit vonnis is gewezen door mr. N.W. Huijgen en in het openbaar uitgesproken op 16 maart 2016.
Coll.: ED