ECLI:NL:RBGEL:2016:2475

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
2 mei 2016
Publicatiedatum
4 mei 2016
Zaaknummer
05/760187-14
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 140 Wetboek van Militair Strafrecht
Verwijzingen
2 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens ontbreken bewijs bedreiging en aanranding militairen tijdens stage

Verdachte werd beschuldigd van het feitelijk bedreigen met geweld en feitelijk aanranding van twee Veva-leerlingen die stage liepen bij de krijgsmacht. De tenlastelegging betrof diverse gedragingen op of nabij 13 februari 2014 in Den Helder.

De militaire kamer oordeelde eerst dat Veva-leerlingen onder de bijzondere bescherming van artikel 140 Wetboek Pro van Militair Strafrecht vallen, omdat zij tijdens hun stage op militaire terreinen onder militaire regels vallen en defensie hen ondersteunt.

Vervolgens werd vastgesteld dat verdachte en een kameraad met wederzijds goedvinden aanwezig waren op de kamer van de aangeefsters en dat er een stoeipartij ontstond. De verklaringen van partijen liepen uiteen, maar getuigenverklaringen ondersteunden dat het stoeien aanvankelijk met instemming was en stopte na een signaal. Nadien was er geen toestemming meer toen verdachte alleen terugkeerde, maar de gedragingen daarna vielen niet binnen de tenlastelegging.

De militaire kamer kon niet vaststellen dat sprake was van bedreiging met geweld of feitelijke aanranding zoals bedoeld in artikel 140 WMSr Pro en sprak verdachte vrij. De civiele vordering van een van de aangeefsters werd niet-ontvankelijk verklaard omdat strafrechtelijke veroordeling ontbrak.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs van bedreiging en aanranding van Veva-leerlingen tijdens stage.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer : 05/760187-14
Datum uitspraak : 2 mei 2016
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige militaire kamer
in de zaak van
de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland
tegen
[verdachte]
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres]
Raadsman: mr. R.P. Eefting, advocaat te Groningen.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter openbare terechtzitting
van 18 april 2016.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij als militair op of omstreeks 13 februari 2014, te of nabij Den Helder, in
elk geval in Nederland, opzettelijk [aangeefster 1] , die bij of ten behoeve van
de krijgsmacht werkzaam was en/of een opleiding en/of lessen en/of (een)
cursus(sen) volgde en/of stage liep bij het met Ministerie van Defensie
(Commando Zeestrijdkrachten (Marine)), feitelijk heeft bedreigd met geweld
en/of feitelijk heeft aangerand door toen en daar opzettelijk aangeefsters
been heeft vastgepakt en/of vastgehouden en/of omgedraaid en/of op
aangeefsters bil(len) is gaan zitten en/of op/in aangeefsters bil(len) heeft
geslagen en/of geknepen en/of aangeefsters borst(en) heeft vastgepakt en/of
vastgehouden en/of tussen/op aangeefsters benen is gaan liggen;
2.
hij als militair op of omstreeks 13 februari 2014, te of nabij Den Helder, in
elk geval in Nederland, opzettelijk [aangeefster 2] , die bij of ten behoeve van de
krijgsmacht werkzaam was en/of een opleiding en/of lessen en/of (een)
cursus(sen) volgde en/of stage liep bij het met Ministerie van Defensie
(Commando Zeestrijdkrachten (Marine)), feitelijk heeft bedreigd met geweld
en/of feitelijk heeft aangerand door toen en daar opzettelijk aangeefster om
haar middel en/of bovenlichaam heeft vastgepakt en/of vastgehouden en/of
aangeefsters borst(en) aldus omhoog heeft gedrukt en/of geduwd en/of
aangeefsters borst(en) heeft vastgepakt en/of vastgehouden en/of aangeefsters
bil(len) heeft vastgepakt en/of vastgehouden;

2.Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft betoogd dat de aangeefsters [aangeefster 1] en [aangeefster 2] , zijnde ROC-leerlingen die in het kader van hun “Veva”-opleiding stage bij de krijgsmacht lopen, ook onder de bijzondere bescherming vallen die artikel 140 van Pro het Wetboek van Militair Strafrecht (WMSr) aan militairen biedt.
Zij heeft vervolgens gerekwireerd tot een bewezenverklaring van beide feiten met veroordeling tot een werkstraf en betaling van een schadevergoeding.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft ten aanzien van beide feiten vrijspraak bepleit wegens onvoldoende overtuigend bewijs.
Beoordeling door de militaire kamer
A.
Toepasselijkheid artikel 140 Wetboek Pro WMSr
De militaire kamer ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of een leerling van een ROC, die in het kader van de opleiding “Veiligheid en Vakmanschap” (hierna: Veva-leerling) stage lopen bij de krijgsmacht, vallen onder de toepassing van het ten laste gelegde artikel 140 WMSr Pro.
In artikel 140 WMSr Pro is bepaald dat de militair die opzettelijk een andere militair of iemand die anderszins bij of ten behoeve van de krijgsmacht werkzaam is, feitelijk bedreigt met geweld of feitelijk aanrandt, wordt gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie.
Uit de wetsgeschiedenis van deze bepaling blijkt het volgende [1] :
Dit artikel is mede geschreven ten behoeve van niet-militairen die binnen de krijgsmacht een taak vervullen. Daartoe worden ook gerekend burgers die incidenteel meevaren op schepen van de Koninklijke Marine en aldaar een taak vervullen en het burgerpersoneel dat op militaire terreinen werkzaam is voor bij voorbeeld onderhoud van startbanen en gebouwen. Zij die in een particulier bedrijf militair materieel vervaardigen vallen niet onder dit artikel, daar zij noch «bij» noch «ten behoeve» van de krijgsmacht werkzaam zijn, immers zij zijn werkzaam ten behoeve van dat particuliere bedrijf.
Op basis van de gebruikelijke praktijkovereenkomst die tussen een stagiair, het ministerie van Defensie en een ROC van kracht pleegt te zijn, in samenhang met het “Convenant Veva” en het Defensie Stagebeleid (zoals aanwezig in het dossier), concludeert de militaire kamer dat een Veva-leerling een bepaalde periode meedraait met/bij een defensieonderdeel, aldaar op het militair terrein rondloopt in een uniform, veldoefeningen doet en instructies krijgt die op militaire leest zijn geschoeid. Voorts is een Veva-leerling verplicht zich te houden aan de regels, voorschriften en aanwijzingen die in het belang van orde, veiligheid en gezondheid gelden bij het desbetreffende defensieonderdeel. Defensie vergoedt voorts de kosten voor voeding, stage en reiskosten conform het Defensie Stagebeleid. Na de opleiding worden veel Veva-leerlingen medewerker bij de krijgsmacht.
Gelet op deze feiten en omstandigheden komt de militaire kamer tot het oordeel dat ook een Veva-leerling valt onder de bescherming van artikel 140 WMSr Pro.
Inhoudelijke beoordeling, feiten 1 en 2
De militaire kamer neemt allereerst in overweging dat verdachte en diens kameraad [naam kameraad] (hierna te noemen: [naam kameraad] ) tijdens een feestje in “De Zeven Provinciën” beide aangeefsters, [aangeefster 2] (hierna te noemen: [aangeefster 2] ) en [aangeefster 1] (hierna te noemen: [aangeefster 1] ), hebben ontmoet. Na afloop van dat feestje zijn beide aangeefsters naar hun kamer gegaan.
Zowel [aangeefster 2] als verdachte en [naam kameraad] hebben verklaard dat vervolgens - nadat [naam kameraad] op de deur van de kamer van [aangeefster 2] en [aangeefster 1] klopte - [aangeefster 1] dan wel [aangeefster 2] de deur heeft opengedaan en de beide jongens heeft binnengelaten. Vervolgens hebben zij ( [aangeefster 2] , [aangeefster 1] , [naam kameraad] en verdachte) in die kamer een normaal gesprek gevoerd. Op grond van deze feiten en omstandigheden concludeert de militaire kamer dat verdachte en [naam kameraad] op dat moment met wederzijds goedvinden op de kamer van [aangeefster 2] en [aangeefster 1] waren. Hierbij neemt de militaire kamer nog in aanmerking dat [aangeefster 1] , terwijl de jongens op hun kamer waren, zich nog heeft afgemeld bij de mentor van dienst en daarbij kennelijk niet heeft gesproken over jongens die tegen hun wil op hun kamer waren.
Blijkens hun verklaringen, alsmede volgens de getuigenverklaring van [getuige] , ontstond in de kamer een stoeipartij tussen [aangeefster 2] , [aangeefster 1] , [naam kameraad] en verdachte. Over het verloop van die stoeipartij lopen de verklaringen echter uiteen.
Bij de Koninklijke Marechaussee hebben [aangeefster 2] en [aangeefster 1] immers verklaard dat zij de jongens op een gegeven moment hebben gevraagd om weg te gaan omdat zij wilden gaan slapen. Echter, [naam kameraad] en verdachte hebben verklaard dat hen niet is gevraagd de kamer uit te gaan of dat door de aangeefsters is aangegeven dat zij wilden gaan slapen.
Ook de verklaringen van [aangeefster 2] en [aangeefster 1] enerzijds en [naam kameraad] en verdachte anderzijds omtrent de aard van de stoeipartij staan lijnrecht tegenover elkaar.
De militaire kamer realiseert zich dat sprake lijkt te zijn van twee kampen met aan de ene kant de beide aangeefsters en aan de andere kant de beide jongens. Dat maakt de verklaring van getuige [getuige] van belang.
[getuige] heeft waargenomen dat op zeker moment de jongens hadden opgedrukt en dat daarna het gestoei is begonnen, waarbij [aangeefster 2] , [aangeefster 1] en de twee jongens over de grond begonnen te rollen. [getuige] heeft op een gegeven moment één van de meisjes horen roepen dat de jongens moesten ophouden en ze heeft gezien dat de blonde jongen (de militaire kamer begrijpt: [naam kameraad] ) [aangeefster 1] losliet. Bij een poging van [aangeefster 1] om [aangeefster 2] en verdachte te scheiden, werd verdachte volgens de verklaring van [getuige] tegen zijn knie geschopt. [aangeefster 2] en [aangeefster 1] zijn toen weggerend naar een andere kamer en de jongens hebben toen ook de kamer verlaten. Over de sfeer tijdens het stoeien heeft [getuige] verklaard dat het eerst lacherig en vrolijk was, maar dat deze later omsloeg. [getuige] heeft eveneens verklaard dat zij niet heeft gezien dat de verdachte [aangeefster 2] of [aangeefster 1] heeft aangeraakt op billen en/of borsten.
Op grond van het voorgaande acht de militaire kamer aannemelijk dat niet alleen het betreden van de kamer door de jongens, maar ook de stoeipartij plaatsvond met wederzijds goedvinden. Ook gaat de militaire kamer ervan uit dat - toen er “stop” werd geroepen - ook door [naam kameraad] en verdachte (zij het met enige vertraging) is gestopt met de stoeipartij.
De militaire kamer heeft dan ook niet de overtuiging bekomen dat tijdens deze stoeipartij sprake was van (bedreiging met) geweld of feitelijke aanranding in de zin van artikel 140 van Pro het WMSr.
Wel overweegt de militaire kamer nog dat nadien, vanaf het moment dat verdachte alleen (dus zonder [naam kameraad] ) is teruggegaan en opnieuw de kamer van [aangeefster 2] en [aangeefster 1] is binnen gegaan, geen sprake meer was van toestemming door aangeefsters. Immers, toen verdachte opnieuw binnenkwam, sloten [aangeefster 2] en [aangeefster 1] zichzelf op in de toilet. [getuige] heeft bovendien nog verklaard dat zij [aangeefster 2] of [aangeefster 1] hoorde zeggen dat verdachte weg moest gaan en dat [aangeefster 1] naar haar toe was gekomen en haar had gezegd dat ze bang was omdat die jongen niet weg wilde gaan.
Echter, de feitelijke gedragingen van verdachte die toen kennelijk hebben plaatsgevonden, waaronder het geven van een por aan [aangeefster 2] , niet zijn opgenomen in de tenlastelegging, zodat de militaire kamer niet toekomt aan een bewezenverklaring.
Het vorenstaande leidt ertoe dat verdachte van beide ten laste gelegde feiten dient te worden vrijgesproken.

3. De beoordeling van de civiele vordering, alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [aangeefster 2] zal niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering, nu verdachte wordt vrijgesproken van het onder feit 2 tenlastegelegde. De benadeelde partij kan derhalve haar vordering slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

4.De beslissing

De militaire kamer:

spreekt verdachte vrijvan de ten laste gelegde feiten.
 verklaart de
benadeelde partij[aangeefster 2]
niet-ontvankelijkin haar vordering.
Dit vonnis is gewezen door de meervoudige militaire kamer, bestaande uit:
mr. P.C. Quak (voorzitter) en mr. J. Barrau, rechters, alsmede kolonel mr. H.C.M. Snellen
als militair lid, in tegenwoordigheid van mr. J.M.B. Moll van Charante, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de militaire kamer op 2 mei 2016.

Voetnoten

1.TK 1985-1986, 16813, nr. 8 pag. 38.