Uitspraak
Rechtbank GELDERLAND
uitspraak van de meervoudige kamer van 9 juni 2016 in de zaken tussen
[X] B.V., gevestigd te [Z] , eiseres
de inspecteur van de Belastingdienst/Belastingen, kantoor Zwolle, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
beschreven wijze kan aanwenden om de bij aankoop van een kunstwerk verschuldigde koopsom te voldoen. De aldus buiten de heffing gebleven bedragen (spaartegoeden) dienen alsdan op het tijdstip waarop zij tot aankoop van een kunstwerk worden aangewend, gerekend te worden tot de vergoeding waarover ter zake van de desbetreffende levering omzetbelasting verschuldigd is.”
“Instellingen voor kunstuitleen stellen zich tot doel hedendaagse beeldende kunstwerken onder een zo groot mogelijk publiek te verspreiden. Daartoe verwerven deze instellingen werken van kunstenaars die zij tegen vergoeding - in het algemeen op basis van abonnement - uitlenen. Als de abonnementhouder dat wil, dan kan deze het kunstwerk ook kopen, al dan niet op termijn. In verband daarmee kan de abonnementhouder vaak gebruik maken van de mogelijkheid om een bepaald percentage van het abonnementsgeld te sparen. Dit spaartegoed kan de abonnementhouder bij aankoop van een kunstwerk gebruiken om de verschuldigde koopsom geheel of gedeeltelijk te voldoen. Een ondernemer die kunstwerken uitleent, moet omzetbelasting voldoen over het totale abonnementsgeld. Dat geldt dus ook voor het deel van het abonnementsgeld dat als spaartegoed wordt aangehouden. Als dat spaartegoed op een later moment wordt gebruikt om een kunstwerk te kopen, dan wordt dat bedrag opnieuw in de heffing van omzetbelasting betrokken. Deze dubbele heffing vind ik ongewenst. Ik keur daarom goed dat geen omzetbelasting wordt geheven over het gedeelte van het abonnementsgeld dat de abonnementhouder met het oog op de toekomstige aankoop van een kunstwerk als spaartegoed bij een instelling voor kunstuitleen aanhoudt. Als het spaartegoed wordt gebruikt voor de aankoop van een kunstwerk, moet het spaartegoed worden gerekend tot de vergoeding voor de levering van het kunstwerk. Voor deze levering is dan omzetbelasting verschuldigd.”
- in 2010 met € 161.781;
- in 2011 met € 374.682;
- in 2012 met € 211.742.
Beslissing
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de uitspraken op bezwaar;
- vernietigt de naheffingsaanslag omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 2010 tot en met 31 december 2011 en vernietigt de bij die naheffingsaanslag gegeven beschikking heffingsrente;
- vermindert de naheffingsaanslag omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 2012 tot en met 31 december 2012 tot € 8.000 en vermindert de bij die naheffingsaanslag gegeven beschikking belastingrente dienovereenkomstig;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde besluiten;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.238;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 331 aan eiseres te vergoeden.