Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
[gedaagde 2],
1.De procedure
- het tussenvonnis van 2 maart 2016
- de comparitie van 11 mei 2016.
2.De feiten
3.Het geschil
verminderdmet de genoemde boete van € 127.500,00 (vergoeding B) op grond van artikel 14 lid 2 sub b van Pro de koopovereenkomst, en
vermeerderdmet de schade door het mogelijk ontvangen van een lagere prijs voor De Lawet bij verkoop aan een nieuwe koper. Bedrag C beloopt dus, aldus WU, tenminste (€ 436.050,00 - € 127.500,00) = € 308.550,00, waarbij de schade hoger kan zijn afhankelijk van de uiteindelijke verkoopprijs. De totaal gevorderde hoofdsom, de som van vergoedingen A, B en C, bedraagt dus, aldus WU, (€ 79.643,84 + € 127.500,00 + ‘tenminste’ € 308.550,00) ‘tenminste’ € 515.693,84, een en ander vermeerderd met rente vanaf de datum van de ontbinding.
4.De beoordeling
Ten aanzien van de vordering op [gedaagde 1]
4.000,00(2,0 punten × tarief € 2.000,00)
5.De beslissing
- het bedrag van € 207.143,84 met ingang van 27 juli 2015
- het bedrag van € 2.810,72 met ingang van 20 oktober 2015