ECLI:NL:RBGEL:2016:417
Rechtbank Gelderland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Opzegbaarheid en gevolgen duurovereenkomst leidingen tussen gemeente Arnhem en Alliander
In deze zaak staat centraal of de gemeente Arnhem de in 1990 voor onbepaalde tijd aangegane duurovereenkomst met Alliander c.s. eenzijdig mocht opzeggen per 31 december 2013. De overeenkomst betrof het leggen en hebben van leidingen in gemeentelijke grond en was gesloten in het kader van de overdracht van het nutsnetwerk aan PGEM, een rechtsvoorganger van Alliander.
De rechtbank stelt vast dat er geen nieuwe bindende overeenkomst tot stand is gekomen na 2011 en dat de opzegging van de oude overeenkomst in beginsel mogelijk is op grond van jurisprudentie van de Hoge Raad, mits een zwaarwegende reden bestaat. De gemeente wilde overstappen op een publiekrechtelijke regeling met een vergunningenstelsel en legesheffing, waardoor de oude privaatrechtelijke regeling kwam te vervallen.
De rechtbank weegt mee dat de overeenkomst in 1990 is gesloten met betaling door de gemeente, maar zonder zakenrechtelijke overdracht van het leidingennetwerk. De gemeente heeft de opzegging gedaan zonder een aanbod tot overdracht van het netwerk, maar Alliander heeft ook geen aanspraak op levering gemaakt vóór de procedure. De rechtbank acht de opzegging gerechtvaardigd, maar erkent dat de gemeente gehouden is mee te werken aan de vestiging van opstalrechten voor het leidingennetwerk.
Verder oordeelt de rechtbank dat de financiële gevolgen van de overgang naar het nieuwe publiekrechtelijke stelsel nader onderzocht moeten worden, met name of een vergoeding voor het positieve contractsbelang verschuldigd is. De zaak wordt daarom verwezen naar de rol voor nadere onderbouwing van de vergoeding door Alliander c.s. en reactie van de gemeente.
Uitkomst: De gemeente mocht de duurovereenkomst opzeggen, maar moet meewerken aan vestiging van opstalrechten en nader onderzoek naar financiële vergoeding vindt plaats.