Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
uitspraak van de voorzieningenrechter van 21 november 2016
[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker,
Procesverloop
Overwegingen
€ 454,68 per maand.
€ 697,97 per maand plus een aanvullende toeslag van € 279,18 per maand. De (wisselende) inkomsten van verzoekers vrouw [naam] worden niet in aanmerking genomen als deze lager zijn dan € 697,97 (inclusief vakantietoeslag). Ten aanzien van verzoekers schuld aan verweerder is vastgesteld dat er geen ruimte is voor inhouding op zijn uitkering.
In dit besluit is aangegeven dat verzoeker op grond van de Pw arbeidsverplichtingen heeft. In de bijlage van dit besluit zijn verzoekers arbeidsverplichtingen nader geconcretiseerd.
10 februari 2016. Deze afspraken zijn bedoeld om te bepalen welk traject richting werk en/of scholing gekozen moet worden voor verzoeker. Omdat verzoeker zich niet heeft gehouden een alle verplichtingen heeft verweerder bij primair besluit van 5 april 2016 verzoekers bijstand verlaagd met 100% door de duur van één maand.
In bezwaar is door verzoeker gesteld dat hij door zijn problematische jeugd nauwelijks ‘bagage’ heeft meegekregen om de gevolgen van zijn handelen op langere termijn te kunnen overzien. Verzoeker heeft geen probleemoplossend vermogen. Verzoeker heeft een licht verstandelijke beperking en een IQ van minder dan 55. Hij kan niet of nauwelijks lezen en schrijven. Zijn beheersing van de Nederlandse taal is beperkt. Zijn taalniveau is vergelijkbaar met die van een 2 tot 8-jarig kind.
Hangende de bezwaarprocedure heeft verweerder - bij brief van 23 mei 2016 - de maatregel opgeschort. Bij verslag 22 juni 2016 van de GGD Gelderland-Zuid is er aanvullend gerapporteerd vanuit de hulpverlenende instanties. Op 19 juli 2016 heeft Carla van den Berg voornoemd eveneens aanvullend gerapporteerd.
Het college ziet af van een maatregel als:
- a. elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, of
- b. de gedraging meer dan één jaar voor constatering daarvan door het college heeft plaatsgevonden.
1. Het college stemt overeenkomstig artikel 18, tiende lid van de wet een op te leggen of een opgelegde maatregel af op de omstandigheden van de belanghebbende en diens mogelijkheden om middelen te verwerven, indien naar het oordeel van het college gelet op bijzondere omstandigheden, dringende redenen daartoe noodzaken.
2. Als het college afziet van een maatregel op grond van dringende redenen, wordt een belanghebbende hiervan schriftelijk op de hoogte gesteld.
Omdat het beroep gegrond is bestaat er geen aanleiding (meer) om een voorlopige voorziening te treffen. Om die reden zal het verzoek om voorlopige voorziening worden afgewezen.
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- herroept het primaire besluit en bepaalt dat de maatregel vijf procent van de voor verzoeker geldende bijstandsnorm gedurende één maand bedraagt;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker ten bedrage van € 1.984,- .