ECLI:NL:RBGEL:2016:7157

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
30 november 2016
Publicatiedatum
22 mei 2017
Zaaknummer
311730
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 39 lid 4 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beschikking tot niet-ontvankelijkheid wrakingsverzoek wegens wrakingsverbod

Verzoeker heeft een wrakingsverzoek ingediend tegen de rechtbank Arnhem, stellende dat sprake zou zijn van incompetente en partijdige handelwijze in een PGB-fraudekwestie.

Eerder zijn door verzoeker meerdere wrakingsverzoeken ingediend die door de rechtbank zijn afgewezen. De rechtbank concludeerde dat verzoeker het wrakingsmiddel misbruikt om de voortgang van de procedure te frustreren.

Op grond van artikel 39 lid 4 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is een wrakingsverbod opgelegd, waardoor een volgend wrakingsverzoek niet meer in behandeling wordt genomen.

Daarom heeft de rechtbank Gelderland het onderhavige wrakingsverzoek niet-ontvankelijk verklaard en niet inhoudelijk behandeld.

De beslissing is in openbaar uitgesproken en hiertegen staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek wordt niet in behandeling genomen wegens een opgelegd wrakingsverbod.

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK GELDERLAND

Wrakingskamer
zaaknummer: C/05/311730 KG RK 16-1057
Beschikking van 30 november 2016
in de zaak van
[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker tot wraking,
tegen
de Rechtbank Arnhem.

1.De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit het schriftelijke wrakingsverzoek van 17 oktober 2016.

2.Het wrakingsverzoek

2.1
Het verzoek tot wraking is gericht tegen de rechtbank Arnhem.
2.2
Verzoeker heeft aan zijn verzoek ten grondslag gelegd dat sprake is van een zeer
incompetente en partijdige handelwijze c.q. het in ernstige mate belemmeren van de
rechtsgang inzake een zeer schrijnende PGB-fraudekwestie.

3.De beoordeling

Verzoeker heeft in de bodemprocedure eerder wrakingsverzoeken ingediend. Op de meest recente verzoeken is beslist bij beschikkingen van 23 juni 2016 (C/05/302684/KG RK 16-243) en 19 oktober 2016 (C/05/309752 / KZ RK 16-367).
In die beschikkingen is door de rechtbank overwogen dat verzoeker al verschillende
wrakingsverzoeken heeft gedaan zonder naar behoren concrete feiten en omstandigheden te
stellen waaruit in redelijkheid zou kunnen worden afgeleid dat sprake is van partijdigheid of
objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor. Dat heeft de rechtbank tot de conclusie gebracht
dat verzoeker het middel van wraking gebruikt voor een ander doel dan waarvoor het is
gegeven of met geen ander doel dan de voortgang van de procedure te frustreren. De
rechtbank heeft in de beschikkingen van 13 juni 2016 en 19 oktober 2016 geconcludeerd dat sprake is van misbruik. Daarom is op grond van artikel 39 lid 4 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bepaald dat een volgend verzoek tot wraking in deze zaak niet meer in behandeling zal worden genomen.
Gelet hierop wordt het onderhavige verzoek niet in behandeling genomen.

4.De beslissing

De rechtbank neemt het verzoek niet in behandeling.
Deze beschikking is gegeven door de mrs. P.J. Wiegman (voorzitter), F.M.T. Quaadvliet en F.J.H. Hovens, in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.S. Verhagen en in openbaar uitgesproken op 30 november 2016.
- de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.