Uitspraak
1.De inhoud van de tenlastelegging
2.Overwegingen ten aanzien van het bewijs
3.De beslissing
[jw.sys.1.verdachte_1_parketnummer]
28 februari 2017.
Rechtbank Gelderland
Op 4 mei 2015 werd in het slachthuis een stier onjuist gefixeerd, wat leidde tot langdurig lijden van het dier. Een medewerker van de keuringsdienst constateerde dat de stier te groot was voor de fixatiekooi en dat geprobeerd werd het dier op andere wijze te fixeren, waarbij veel letsel en pijn ontstond. Pas na ongeveer 25 minuten werd de stier geschoten.
De officier van justitie vorderde een werkstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf tegen de verdachte, de directeur van het slachthuis, wegens het veroorzaken van onnodig lijden in strijd met artikel 2.1 van de Wet dieren. De verdediging betoogde dat de stier niet opzettelijk mishandeld was en dat de directeur geen feitelijke leiding had gegeven.
De rechtbank achtte de verklaring van de operationeel coördinator van de keuringsdienst betrouwbaar en stelde vast dat het slachthuis als rechtspersoon aansprakelijk was voor de overtredingen. De directeur werd echter vrijgesproken omdat onvoldoende bewijs was dat hij opdracht had gegeven of feitelijk leiding had gehad over de verboden gedragingen.
De rechtbank veroordeelde het slachthuis tot een deels voorwaardelijke geldboete wegens het veroorzaken van onnodig lijden aan het dier tijdens het ritueel onbedwelmd slachten.
Uitkomst: Het slachthuis is veroordeeld tot een deels voorwaardelijke geldboete wegens overtreding van de Wet dieren; de directeur is vrijgesproken.