ECLI:NL:RBGEL:2017:1837

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
30 maart 2017
Publicatiedatum
3 april 2017
Zaaknummer
05/880115-14 (ontneming)
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor verduistering en ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel als bewindvoerder

De rechtbank Gelderland heeft op 30 maart 2017 uitspraak gedaan in de zaak tegen een bewindvoerder die werd verdacht van verduistering en valsheid in geschrifte. De verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden wegens verduistering van ongeveer 500.000 euro van cliëntenrekeningen.

Tijdens de procedure werd tevens een ontnemingsvordering behandeld, waarbij de officier van justitie vorderde dat het wederrechtelijk verkregen voordeel werd vastgesteld en aan de Staat werd ontnomen. De rechtbank stelde het voordeel vast op 492.874,06 euro, waarna schadevergoedingen aan slachtoffers werden afgetrokken.

Na verrekening van de schadevergoedingen resteerde een bedrag van 376.933,82 euro dat veroordeelde aan de Staat moet betalen. De beslissing is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht en het bewijs uit politieprocessen-verbaal en de verklaring van de verdachte.

De straf en ontnemingsmaatregel zijn uitgesproken door een meervoudige kamer van de rechtbank Gelderland te Arnhem, waarbij de verdachte werd bijgestaan door een raadsman.

Uitkomst: De verdachte is veroordeeld tot 24 maanden gevangenisstraf en moet 376.933,82 euro betalen ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Promis II
Parketnummer : 05/880115-14 (ontneming)
Datum zitting : 16 maart 2017
Datum uitspraak: 30 maart 2017
Tegenspraak
Uitspraak van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie van het arrondissementsparket Oost-Nederland
tegen
naam :
[veroordeelde](hierna te noemen: veroordeelde),
geboren op : [geboortedag] 1957 te [geboorteplaats] ,
adres : [adres] ,
plaats : [woonplaats] .
Raadsman : mr. O.J. Ingwersen, advocaat te Arnhem.

1.De inhoud van de vordering

De officier van justitie vordert dat de rechtbank, conform artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht, het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat en de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel, welk voordeel voorlopig wordt geschat op € 508.227,26

2.De procedure

Ter terechtzitting van 16 maart 2017 heeft de officier van justitie de ontnemingsvordering aanhangig gemaakt.

3.Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 16 maart 2017 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is veroordeelde verschenen. Veroordeelde is bijgestaan door mr. O.J. Ingwersen, advocaat te Arnhem.
De officier van justitie, mr. M. Zwartjes, heeft ter terechtzitting gepersisteerd bij de vordering. Daarbij heeft zij opgemerkt dat voor zover het bedrag van de ontnemingsvordering ook als schadevergoedingsvergoedingsmaatregel wordt opgelegd, dit in mindering dient worden gebracht op het wederrechtelijk verkregen voordeel.
De verdediging heeft zich ten aanzien van de ontnemingsvordering gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

4.De beoordeling van de vordering

Bij de beoordeling van de onderhavige vordering heeft de rechtbank kennisgenomen van het op 30 maart 2017 tegen veroordeelde gewezen vonnis waarbij hij onder andere is veroordeeld voor verduistering.
De rechtbank is van oordeel dat aannemelijk is dat veroordeelde wederrechtelijk daardoor voordeel heeft genoten. De beslissing dat veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. [1]
Uitgangspunt is dat bij de bepaling van het ontnemingsvoordeel wordt uitgegaan van het voordeel dat de verdachte in de concrete omstandigheden van het geval daadwerkelijk heeft genoten. Verdachte verklaart dat hij de tenlastegelegde bedragen van de rekeningen van zijn cliënten wederrechtelijk voor eigen gebruik heeft aangewend. [2] Dit komt neer op een totaalbedrag van € 492.874,06, in plaats van het gevorderde bedrag van € 508.227,26.
De rechtbank zal, gelet op het vorenstaande, het wederrechtelijk verkregen voordeel schattenderwijs vaststellen op € 492.874,06.
De volgende bedragen zijn aan veroordeelde als schadevergoedingsmaatregel opgelegd:
Ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] € 13.123,17
Ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] € 3.416,--
Ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 3] € 1.550,--
Ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 4] € 1.851,61
Ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 5]
€ 95.999,46 +
€ 115.940,24
Dit bedrag zal de rechtbank op het wederrechtelijk verkregen voordeel in mindering brengen. Het bedrag dat dan resteert is en dat veroordeelde aan de Staat zal moeten betalen ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel is € 376.933,82.

5.De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

6.De beslissing

Stelt vast het bedrag waarop het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op een bedrag van
€ 376.933,82 (zegge: driehonderdzesenzeventigduizend negenhonderddrieëndertig euro en tweeëntachtig cent).
Legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van
€ 376.933,082 (zegge: driehonderdzesenzeventigduizend negenhonderddrieëndertig euro en tweeëntachtig cent).
Aldus gegeven door mr. C.M.E. Lagarde (voorzitter), mr. J.M. Hamaker en mr. F.M.A. 't Hart, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.W.A. Nabbe, griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 30 maart 2017.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] van de politie Oost Nederland, district Gelderland-Midden, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600 2014012079, gesloten op 30 april 2015 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 16 maart 2017.