Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
1.[eiser sub 1],
1.De procedure
- het tussenvonnis van 9 november 2016
- het proces-verbaal van comparitie van 17 februari 2017.
2.De feiten
3.Het geschil
4.De beoordeling
1.158,00(2,0 punten × tarief € 579,00)
Rechtbank Gelderland
De zaak betreft een geschil tussen de bestuurder en enig aandeelhouder van een failliete B.V. en de curator over de eigendom en het gebruik van een geleasete auto die toebehoorde aan de failliete vennootschap. De bestuurder stelde dat zij op basis van mondelinge afspraken met de curator eigenaar was geworden van de auto nadat zij de restantvordering van de bank had voldaan, terwijl de curator de auto als onderdeel van de boedel beschouwde en deze verkocht.
De rechtbank overwoog dat de curator bij het uitoefenen van zijn taak de Maclounorm moet naleven, wat inhoudt dat hij zorgvuldig en met voldoende kennis van zaken moet handelen. Het hof had eerder geoordeeld dat de bestuurder mocht vertrouwen op de toezegging dat zij eigenaar zou worden van de auto, mits zij de schuld aan de bank zou betalen. De rechtbank stelt echter dat het hof onvoldoende rekening hield met de kennis van de curator over de financieringsdocumenten en dat de curator op 18 januari 2011 expliciet had aangegeven dat betaling van de schuld niet inhield dat de auto mocht worden behouden.
De rechtbank concludeert dat de curator terecht heeft gehandeld door de auto als boedelgoed te beschouwen en deze te verkopen, mede ter bescherming van de belangen van de gezamenlijke schuldeisers. De vordering van de bestuurder tot vergoeding van schade en kosten wordt afgewezen. De curator wordt niet persoonlijk aansprakelijk gehouden voor zijn handelen in deze zaak.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen van eiseressen af en houdt de curator niet persoonlijk aansprakelijk.