ECLI:NL:RBGEL:2017:3483
Rechtbank Gelderland
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beëindiging maatwerkvoorziening Wmo 2015 wegens mogelijke Wlz-indicatie niet gegrond verklaard
Eiser, een oudere met Alzheimer die veel zorg nodig heeft, kreeg een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015 toegekend. Verweerder beëindigde deze voorziening met ingang van 1 september 2016, omdat hij meende dat eiser aanspraak kon maken op een Wlz-indicatie en dat de Wlz een voorliggende voorziening is. Eiser maakte bezwaar en stelde dat de beëindiging onterecht was, onder meer omdat er geen concrete aanleiding was en er geen belangenafweging had plaatsgevonden.
De rechtbank oordeelde dat de wettelijke grondslag voor beëindiging van de maatwerkvoorziening ligt in artikel 2.3.10, eerste lid onder b, van de Wmo 2015, waarbij een redelijke termijn in acht moet worden genomen. De rechtbank stelde echter vast dat verweerder onvoldoende onderzoek had gedaan naar de zorgbehoefte van eiser en onvoldoende had onderbouwd dat eiser daadwerkelijk in aanmerking komt voor een Wlz-indicatie. De beschikbare gegevens boden geen voldoende grondslag voor deze conclusie.
Daarom was niet voldaan aan de cumulatieve voorwaarden van artikel 2.3.5, zesde lid, van de Wmo 2015, en had verweerder nog geen belangenafweging kunnen maken. Het besluit tot beëindiging was daarmee gebrekkig tot stand gekomen. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en droeg verweerder op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen, met inachtneming van de uitspraak. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot beëindiging van de maatwerkvoorziening wordt vernietigd.