Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
1.[eiser sub 1] ,
[eiser sub 2],
1.[gedaagde sub 1] ,
[gedaagde sub 2],
[gedaagde sub 3],
1.De procedure
- het tussenvonnis van 13 juli 2016
- de akte overlegging producties van 18 oktober 2016 van [eiser sub 1] en [eiser sub 2]
- het proces-verbaal van comparitie van 18 oktober 2016
- de akte houdende wijziging van eis tevens uitlatingen na comparitie van [eiser sub 1] en [eiser sub 2]
- de akte van antwoord tevens houdende uitlatingen comparitie van [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] .
2.De feiten
3.Het geschil
4.De beoordeling
“(…) Dat de dochters op het moment van ondertekening van de uiterste wil van erflater de kamer (kort) hebben verlaten, maakt dat niet anders. (…)”. Uit productie 14, hiervoor onder 4.26 al gedeeltelijk weergegeven, blijkt niet dat notaris Smit verklaard heeft dat [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] bij het verlijden van het testament van erflater aanwezig zijn geweest.
“(..) Bij het passeren van het testament waren alleen hun vader en de getuigen aanwezig (…)”.