Eiser, een werknemer bij de Belastingdienst sinds 1972, vroeg ontslag aan onder toekenning van een stimuleringspremie (variant A) binnen het Van-Werk-Naar-Werkbeleid (VWNW). Verweerder wees dit af omdat eiser al vóór de regeling de intentie had om te vertrekken, onder meer vanwege levensloopverlof en een afscheidsreceptie.
Eiser betwistte dit en stelde dat hij geen intentie had om met pensioen te gaan en dat de afwijzing onterecht was, mede omdat artikel 49tt ARAR dwingend voorschrijft dat een stimuleringspremie toegekend moet worden bij aanvraag. De rechtbank oordeelde dat verweerder geen beleidsvrijheid heeft om de premie te weigeren zolang de aanvraag voldoet aan de voorwaarden.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en bepaalde dat verweerder een nieuwe beslissing moet nemen, met inachtneming van de uitspraak. Tevens veroordeelde de rechtbank verweerder tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. De overige beroepsgronden behoefden geen bespreking meer.