Eiser, werkzaam bij de Belastingdienst sinds 1972, vroeg ontslag aan onder toekenning van een stimuleringspremie (variant A) in het kader van het Van-Werk-Naar-Werkbeleid (VWNW). Verweerder wees de aanvraag af omdat eiser volgens hem reeds in 2015 de beslissing had genomen om de Belastingdienst te verlaten en daarom geen stimulering nodig was.
De rechtbank oordeelde dat verweerder geen beleidsvrijheid heeft om de premie al dan niet toe te kennen, omdat artikel 49tt van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) dwingend voorschrijft dat een VWNW-kandidaat op aanvraag recht heeft op de premie. Daarnaast concludeerde de rechtbank dat er geen ondubbelzinnige gedraging van eiser was die een ontslagverzoek inhield.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit wegens strijd met de Algemene wet bestuursrecht en bepaalde dat verweerder een nieuwe beslissing op bezwaar moet nemen. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht.