Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
1.De procedure
- de dagvaarding
- de mondelinge behandeling
- de pleitnota van [B.V.]
- de pleitnota van de curator.
2.De feiten
3.Het geschil
4.De beoordeling
816,00
Rechtbank Gelderland
In deze kort gedingprocedure vordert een besloten vennootschap ([B.V.]) de opheffing van conservatoir beslag gelegd door de curator in het faillissement van haar bestuurder. De curator had beslag gelegd op bedragen die volgens hem aan de faillissementsboedel toekomen, waaronder een vergoeding op grond van artikel 479a Rv en loonbetalingen boven het vrij te laten bedrag.
De rechtbank overweegt dat de curator op grond van artikel 479a Rv een vordering kan instellen jegens de werkgever voor een redelijke vergoeding van werkzaamheden die tegen een te laag salaris zijn verricht. De door de curator gestelde redelijke vergoeding is hoger dan het door [B.V.] betaalde salaris, en [B.V.] heeft dit niet aannemelijk kunnen weerleggen. Daarnaast is vastgesteld dat het loon van de bestuurder ook de door [B.V.] betaalde huur en leaseautokosten omvat, welke als loon worden aangemerkt en boven het vrij te laten bedrag uitkomen.
De rechtbank concludeert dat de curator een gegronde vordering heeft en dat het belang van de curator bij handhaving van het beslag zwaarder weegt dan het belang van [B.V.] bij opheffing. De vordering tot opheffing van het beslag wordt daarom afgewezen en [B.V.] wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De vordering tot opheffing van het conservatoir beslag wordt afgewezen en loon boven het vrij te laten bedrag komt toe aan de faillissementsboedel.