Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
1.Procesverloop
27 september 2017 heeft de gemachtigde van verzoekster de vraagstelling van de griffier beantwoord.
Rechtbank Gelderland
Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen een besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) waarbij een maatregel van 25% korting op haar WW-uitkering is opgelegd wegens onvoldoende sollicitatie-inspanningen. Gelijktijdig verzocht zij om een voorlopige voorziening om deze maatregel te schorsen.
De voorzieningenrechter overweegt dat een voorlopige voorziening alleen kan worden getroffen indien onverwijlde spoed daartoe vereist is. In financiële geschillen is dit niet snel het geval, omdat het bedrag later alsnog kan worden terugbetaald. Verzoekster stelt dat zij door de maatregel niet in haar levensonderhoud kan voorzien, mede omdat zij alleenstaand is en voor haar dochter zorgt.
De voorzieningenrechter stelt echter vast dat verzoekster naast de WW-uitkering ook toeslagen ontvangt en tijdelijk bij haar vader woont zonder huur te betalen, waardoor zij voldoende middelen heeft om te voorzien in haar levensonderhoud. Het enkele feit van een negatief banksaldo en het lenen van geld van haar vader is onvoldoende om een spoedeisend belang aan te nemen.
Verder wijst de voorzieningenrechter erop dat de mogelijkheid tot het vragen van een voorlopige voorziening niet bedoeld is om de behandeling van de hoofdzaak te versnellen. Verzoekster wordt geadviseerd bij een inkomen onder het bestaansminimum aanvullende bijstand bij de gemeente aan te vragen.
Gelet op deze omstandigheden wordt het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens onvoldoende spoedeisend belang.