ECLI:NL:RBGEL:2017:5661
Rechtbank Gelderland
- Verzet
- R.J. Jue
- Rechtspraak.nl
Verzet tegen afwijzing proceskostenveroordeling na intrekking verzoek voorlopige voorziening
Opposant heeft tegen een besluit van het college van burgemeester en wethouders bezwaar gemaakt en een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. Dit verzoek is later ingetrokken met een verzoek om proceskostenveroordeling. De voorzieningenrechter wees dit verzoek af onder toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Awb, zonder zitting.
Tegen deze uitspraak is verzet ingesteld. De rechtbank oordeelt dat verzet mogelijk is omdat de uitspraak van de voorzieningenrechter zonder zitting is gedaan op basis van artikel 8:83, derde lid, Awb, dat alleen ziet op de voorlopige voorziening zelf. Na intrekking van het verzoek is artikel 8:54 Awb Pro de juiste grondslag, waartegen verzet mogelijk is.
De voorzieningenrechter heeft het onderzoek gesloten zonder opposant in de gelegenheid te stellen te reageren op de door geopposeerde geschetste gang van zaken. Opposant heeft echter gesteld wel degelijk pogingen te hebben gedaan om verlenging van de begunstigingstermijn te verkrijgen. De rechtbank acht het redelijk dat opposant een verzoek om voorlopige voorziening heeft ingediend toen de termijn bijna verstreken was.
De rechtbank verklaart het verzet gegrond, vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter en wijst het verzoek om proceskostenveroordeling toe. Het college wordt veroordeeld tot betaling van €1.237,50 aan proceskosten en het griffierecht wordt terugbetaald.
Uitkomst: Het verzet wordt gegrond verklaard en het college wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten van €1.237,50.