Uitspraak
1.De inhoud van de tenlastelegging
2.Overwegingen ten aanzien van het bewijs
4.De beslissing
benadeelde partij [bedrijf] niet-ontvankelijkin haar vordering.
Rechtbank Gelderland
Verdachte werd beschuldigd van verduistering van ongeveer €10.000,- van de vennootschap waarvoor hij als bestuurder en directeur werkzaam was tussen januari 2015 en februari 2016. De officier van justitie stelde dat verdachte geldbedragen voor privédoeleinden had gebruikt zonder toestemming, terwijl verdachte stelde dat hij als enig bestuurder bevoegd was tot financiële transacties en dat de uitgaven verklaarbaar waren.
De rechtbank oordeelde dat verdachte ook na zijn formele ontslag bevoegd bleef betalingen te verrichten op basis van afspraken met de aandeelhouders. Er waren aanwijzingen dat nadere afspraken over declaraties en kosten waren gemaakt, al dan niet mondeling, en dat de boekhouding toegankelijk was voor de aandeelhouders. Verdachte gaf plausibele verklaringen voor de uitgaven, waaronder het betalen van een opleiding voor zijn partner en het verwerken van privé-uitgaven in de rekening-courant verhouding.
Gelet op het ontbreken van schriftelijke afspraken en onvoldoende bewijs kon niet met zekerheid worden vastgesteld dat verdachte zich het geld wederrechtelijk had toegeëigend. De rechtbank sprak verdachte vrij van het tenlastegelegde feit. De civiele vordering van de benadeelde partij werd niet-ontvankelijk verklaard, aangezien zij haar vordering bij de burgerlijke rechter dient in te dienen.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van verduistering wegens onvoldoende bewijs.