In deze burenzaak stond de vraag centraal of de hoog opschietende coniferen en laurieren op het perceel van de gedaagde partij onrechtmatige hinder opleveren voor de eisende partij. De discussie betrof vooral de afstand van deze beplanting tot de erfgrens en de hoogte waarop ze gesnoeid moeten worden.
De rechtbank oordeelde dat de coniferen en laurieren op een afstand van circa zeventig centimeter van de erfgrens staan, wat meer is dan de minimale afstand van vijftig centimeter. Hoewel de exacte mate van hinder door schaduwval niet volledig vaststond, werd geoordeeld dat de zorgvuldigheid tussen buren vereist dat dergelijke hoog opschietende heesters niet tot een hinderlijke hoogte mogen groeien. De privacybelangen van de gedaagde partij werden meegewogen, maar onvoldoende onderbouwd om de huidige hoogte van drie tot vier meter te handhaven.
Daarom werd de gedaagde veroordeeld om de beplanting te snoeien en gesnoeid te houden tot maximaal twee meter en vijftig centimeter, met een dwangsom van €50 per dag bij niet-naleving, tot een maximum van €5.000. Daarnaast werd de gedaagde veroordeeld in de proceskosten en de wettelijke rente. Het meer of anders gevorderde werd afgewezen.