De moeder verzoekt de rechtbank een verklaring voor recht af te geven dat zij eenhoofdig gezag heeft over haar minderjarige kind, gebaseerd op een Turkse voogdijbeslissing. De rechtbank oordeelt dat de Turkse rechter niet bevoegd was om deze gezagsmaatregel te nemen, omdat het kind zijn gewone verblijfplaats in Nederland had en de Turkse rechter niet voorafgaand aan de beslissing de Nederlandse autoriteiten heeft geïnformeerd, zoals vereist volgens het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1961.
De rechtbank wijst het primaire verzoek af en overweegt het subsidiaire verzoek om het gezamenlijk gezag te beëindigen en de moeder eenhoofdig gezag toe te kennen. Gezien het langdurige contactgebrek tussen de ouders, de onbereikbaarheid van de vader en het belang van het kind om beslissingen zonder vertraging te kunnen nemen, acht de rechtbank het in het belang van het kind noodzakelijk het gezamenlijk gezag te beëindigen.
De rechtbank besluit het gezamenlijk gezag over de minderjarige te beëindigen en het eenhoofdig gezag aan de moeder toe te kennen. Deze beslissing wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard en kan binnen drie maanden worden aangevochten door belanghebbenden.