ECLI:NL:RBGEL:2017:844

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
16 februari 2017
Publicatiedatum
17 februari 2017
Zaaknummer
05/881172-14
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 lid 3 OpiumwetArt. 11 lid 5 Opiumwet
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs medeplegen kweken hennep

De rechtbank Gelderland behandelde de zaak tegen verdachte die werd beschuldigd van het medeplegen van het kweken van hennep in een pand te Zutphen in de periode van mei tot juni 2014. De officier van justitie had een tenlastelegging ingediend waarin werd gesteld dat verdachte samen met anderen opzettelijk een grote hoeveelheid hennepplanten had geteeld.

Tijdens de terechtzitting op 2 februari 2017 werd het bewijs onderzocht. Zowel de officier van justitie als de verdediging waren het erover eens dat het bewijs niet wettig en overtuigend was om vast te stellen dat verdachte samen met anderen hennep had geteeld of aanwezig had gehad in het betreffende pand.

Op 16 februari 2017 sprak de rechtbank verdachte vrij van het tenlastegelegde feit. De rechtbank oordeelde dat de bewijsvoering onvoldoende was om tot een veroordeling te komen. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer bestaande uit drie rechters.

Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs van medeplegen kweken hennep.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Zutphen
Parketnummer : 05/881172-14
Datum uitspraak : 16 februari 2017
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland
tegen
[verdachte]
geboren op [geboortedag] 1966 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres 1] .
raadsman: mr. J.H.L.C.M. Kuijpers, advocaat te Amsterdam.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting
van 2 februari 2017.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na een door de rechtbank toegewezen vordering wijziging tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van
1 mei 2014 tot en met 30 juni 2014 te Zutphen, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
(telkens) in de uitoefening van een beroep of bedrijf,
opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt,
in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres 2] )
een hoeveelheid van 413, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan,
in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet
terwijl dit gepleegde feit (mede) betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet,
welke hoeveelheid meer bedraagt dan de bij algemene maatregel van bestuur bepaalde hoeveelheid van een middel (te weten 413 hennepplanten, althans meer dan 200 hennepplanten en/of delen daarvan);
art 11 lid 3 Opiumwet Pro art 11 lid 5 Opiumwet Pro
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
De rechtbank is van oordeel, evenals de officier van justitie en de verdediging, dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte tezamen en in vereniging met een ander of anderen hennep heeft geteeld dan wel aanwezig heeft gehad in een pand aan de [adres 2] te Zutphen in de periode van 1 mei 2014 tot en met 30 juni 2014 en zal verdachte daarvan vrijspreken.

3.De beslissing

De rechtbank:
 Spreekt verdachte vrij van het tenlastegelegde feit.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.G.J. Post (voorzitter), mr. D.S.M. Bak en mr. E.M. Vermeulen, rechters, in tegenwoordigheid van L.J.M. Visser, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 16 februari 2017.
Mr. Post is buiten staat om dit vonnis mede te ondertekenen.